BORDEWIJKS «BLOKKEN»: POLITIEKE KABBALISTIEK

 

In: Laatst nog...; opstellen over de aflopende toekomst. Antwerpen 1985, pp. 147-164.



Bordewijks Blokken, uit 1931, is onder meer (noot 1) te lezen als een

negatieve utopie die tendeert naar een positieve conclusie (een

happy ending in de toekomst voorbij het verhaalde). Politieke

ontwikkelingen worden er bij deze leeswijze archetypisch in ge-

motiveerd.


Wat het literaire genre betreft waartoe Blokken behoort, wil ik het

lokaliseren in het grensgebied tussen proza en poëzie.


Proza: het is een, vrij kort, verhaal (in de pocketeditie, 17de druk, Nijgh en

Van Ditmar z.j., beslaat het inclusief het titelblad slechts 31

pagina's); uit die beperkte hoeveelheid woorden rijst bij lezing een

consistente «alsof-wereld» op: in een opeenvolging van tijd-ruimte-

lijke situaties handelen «mensen», ondergaan zij de handelingen

van andere «mensen» en staan «mensen» bloot aan de invloed van

de buiten- en binnen-menselijke natuur.


Poëzie: dit proza vertoont een zo grote verdichting, richt daarmee

de lezersaandacht zozeer op het vertelinstrument, de taal, dat we

er al lezend toe neigen, in Bordewijks product een reeks verhalende

prozagedichten te zien.


Bij lezing als politiek verhaal vormt wat ik zou willen noemen de

alchemistische metafoor (noot 2) de centrale motivering van het fictieve

gebeuren. Sinds C.G. Jung zouden we kunnen zeggen, dat het

handelingsverloop dieptepsychologisch is verantwoord. Daarbij

moeten we ons echter wel realiseren, dat Bordewijks Blokken vier jaar

vóór Jungs eerste publicatie over alchemie is uitgekomen. Bordewijks

«systeem» zal dan ook flink van dat van Jung blijken te verschillen.


Naast deze «science»-kant is het fiction-aspect sterk ontwikkeld:

naast het wetenschappelijk verantwoorde, het realistische, de on-

mogelijke, fantastische component. De geëvoceerde «Maatschap-

pij» is in hoge mate onwerkelijk, abstract, daardoor onwaarschijn-

lijk: een ideeënconstructie. Intussen is de uitwerking op de lezer,

zet hij zich aan de intensieve consumptie die de tekst eist, ver-

moedelijk sterker dan die van «aannemelijker» uitgewerkte, alle-

daags-realistische schrijfsels. De visie die na zulke lezing bij mij

overbleef was uitgesproken maatschappij-kritisch. Helemaal

pessimistisch was het nabeeld slechts niet, doordat via de alche-

mistische metafoor impliciet de volgende stelling wordt verdedigd: de natuur

compenseert uiteindelijk alle schadelijke gevolgen van culturele

menselijke eenzijdigheid - de balans zal nooit blijvend worden ver-

stoord.


Tijdens het lezen is het beeld minder vrolijk. Compact en met

griezelige precisie rijgt Bordewijk zijn koele, wrede visioenen

aaneen. Het verhaal projecteert een collectivistische, reactionaire

dictatuur als, althans voorlopig, eindpunt van de technische ontwik-

kelingen in onze eeuw. In eerste instantie lijkt dit zwart utopia ont-

worpen als een tegenhanger van Baudelaire's «Paradis artificiels», is

het een «kunstmatige hel» met profetisch-waarschuwend karakter.

Bordewijk legitimeert zich als «meester der verschrikking» naast de

filmer Eisenstein en de natuurkundige Einstein, die hij in een op-

dracht zo betitelt. Blokken is horror met een boodschap.


Strijd


Een indicatie voor het doordachte van de compositie kan al worden

gevonden in de hoofdstukindeling (noot 3), zeker als we de hoofdstukken

nummeren (wat Bordewijk niet doet):


1       De nacht

2       De dag

3       De lezing

4       De stadskern

5       De monoliet

6       De groep-A

7       De executie

8       De vreugde

9       De zonde

10 De wapenschouwing


Op de compositie, aan deze tussentitels af te lezen, zal ik terugko-

men na analyse van het verhaal. Hier alleen dit: ze wijzen op een

binaire trek in de verhaalwereld (bijvoorbeeld «De nacht» wordt ge-

volgd door «De dag»), die symbolisch zal blijken. Binnenin een

maatschappij die naar het bevel van haar organisatoren «mannelijk»,

vierkant, rationeel, massaal, uniform dient te zijn, bestaat - even

natuurlijk als naast de dag de nacht - het «vrouwelijk-ronde, ro-

mantische, individuele voort. Uiteindelijk zal «binnenin» zelfs «in

het centrum van» blijken.


Eerst nu gedetailleerd aandacht voor het eerste hoofdstuk. Over

het woord licht struikelt men, het komt in nog geen twee pagina's

maar liefst dertien keer voor, en dat onder de hoofdstuktitel «De

nacht». Enkele keren heeft het een «negatief voorteken»: «geen lichten»

etcetera. Tot hetzelfde veld, dat van het licht, behoren hier nog

heel wat andere woorden: wit, ijsberg (wit, koud, hard), melk (wit,

vloeibaar), zonneschijn, stralen, blinken, fonkelen, gloed en toortsen

(beide laatste: licht + vuur). «Licht» staat in dit hoofdstuk voor de,

nog onvolkomen, overwinning van het kunstmatige, de Staat, op het

natuurlijk duister: in de nacht lijkt de strijd onbeslist. Zwart,

donker, maan, nacht en schaduw vertegenwoordigen de tegenpartij

(die als wapens hanteert: stormwind en winterhagel). De sterren die

worden vermeld zijn kunstmatig: deze rode «hemellichamen»

beduiden o.m. Mars, oorlog. Het licht is wit, rood, groen (noot 4).

Er is strijd tussen de tegenpolen, tussen licht en donker: al in de

eerste zin wordt het vliegtuig vergeleken met een pijl met gloeiende

punt, die afschiet op zijn doel, de stad. De (moeder-)aarde is don-

ker, de hemel «vurig» rood verlicht: de strijdbare ordenende krachten

zijn in het offensief tegen de «materia prima», de vruchtbare nachte-

lijke chaos. Nacht betekent, staat er, «nog» zege van het ongeorden-

de: «Daar waar de mens nog geen macht had leefde de romantiek,»...

Stormwolken, «wild en vertoornd in haar zege», razen voort als fre-

gatten onder zeil, maar: die zeilen «scheurden». De strijd gaat dus

tegen het romantische verleden, het natuurlijke, de vrouwelijke oer-

krachten. Dat zullen we moeten vasthouden, en ook: overal waar we

in de gesuggereerde maatschappij sporen van die tegenkrachten

aantreffen, is dat een signaal dat de orde innerlijk ondermijnd is.

Het zijn momenten waarop vulkaanachtig de tegenkrachten dreigen

uit te barsten, zoals in H.l de maan al «te voorschijn barst». Op de

tweede pagina echter, als deze bij uitstek vrouwelijke planeet

nogmaals probeert «door te breken» (let op de militaire term) wordt zij

nietig genoemd vergeleken met de Mammoth (Engels voor mammoet).

Dit is het nieuwe luchtschip van de Staat, door de Raad, het opperste

orgaan van die Sta'at, te groot geacht om zelfs die grote naam te

blijven dragen: het luchtschip, «een stad boven de aarde», zal «4»

worden herdoopt: «Het cijfer verbeeldt geen afmetingen».


Het cijfer vier zal van groot belang blijken in de «kabbalistiek» van

het verhaal. In H.l is het vliegtuig vierkant en rijzen uit zestien

(4X4) betonnen torens evenveel vierkante lichtpilaren op onder «het

dak van de nacht». Vier is echter deelbaar: twee maal twee. Daarmee

heeft de «onderdrukkende», hier overigens als «schragend» voorgestel-

de werkelijkheid van de beschreven maatschappij niet alleen de vorm

van één blok, zij is ook binair (gespleten !): zie bijvoorbeeld de dub-

bele politierij die de passagiers van het vliegtuig opwacht. De één-

heid, de monoliet is slechts idee (wensdroom).


Getallen hebben inhoudelijk en ook formeel (zoals we nog zullen

zien) een belangrijke functie. Kijken we even heel ver vooruit, naar

de voorlaatste pagina, dan zien we de toekomstige eenheid der tegen-

delen gesymboliseerd: het volgende luchtschip zal niet meer «4» maar

«6» heten (2x3), een even getal «gehuwd met» een oneven. Zover zijn

we nog niet. In H.l is de Staat nog bezig zijn macht te vergroten ten

koste van zijn «natuurlijke» tegenstander. Geografisch is de gewenste

eenheid bereikt door de vernietiging, ten gunste van steden en buiten-

steden, van alle dorpen, waarmee de tegenstelling stad-platteland is

overwonnen. Ook de bovenwereld wordt «stedelijk» gekoloniseerd: door

Mammoth, zoals we zagen een stad boven de aarde. Toch is er met dat

luchtschip iets aan de hand: terwijl vliegtuigen één gloeiende punt

hebben, verschijnt Mammoth aan de einder «gelijk een diadeem». Kan

men zich een diadeem vierkant voorstellen?



Oneffenheden


Eén en vier is vijf (en de alchimist is op zoek naar het vijfde ele-

ment, de quinta essentia, het levenswater dat onsterfelijkheid brengt,

de steen der wijzen, de quadratuur van de cirkel, het perpetuum mo-

bile). Meteen aan het begin van het tweede hoofdstuk blijkt de week

(4+3 dagen) numeriek veranderd in 1+4=5. Elke vijfde dag is dag van

ontspanning. Weer dus een splitsing in twee tegengestelde delen

(ditmaal ongelijke). Op de vijfde dag is er vertier «in de woon-

kwadraten,» in de arbeidskwadraten ging niets om. De stadsruimte is

verdeeld in tegengestelde groepen «kwadraten» (de voor woonwijken

meer gebruikelijke benaming «kwartieren» is in deze benaming

duidelijk vermeetkundigd, vervierkant) voor werk (4) tegenover ont-

spanning (1). De straten zijn recht, zijn gesierd met een Griekse rand:

 Dat «Griekse» wijst naar het verleden, duidt op het in wezen niet nieuwe

maar oeroude karakter van deze Staat. We worden daarbij ongetwijfeld geacht aan

Plato's Staat te denken en vragen ons meteen af: waar zijn de kunstenaars

(die Plato immers wilde verbannen)? Even verder wordt net als in het oude

Griekenland «de athletiek (...) weder naakt bedreven». Ook uit ande-

re gegevens blijkt het «verleden» (het reactionaire) karakter van deze

«toekomst»: «De muziek was teruggekeerd tot het bijna gregoriaan-

se», en «er bestonden geen orkesten meer (...) het nationale instru-

ment was het orgel». Een soort modern-middeleeuwse «Civitas

Dei»? Bovendien is met het verdwijnen van de orkesten en alle

instrumenten behalve het orgel de veelheid teruggebracht tot één-

heid, de variëteit tot gelijkheid: het door motoren aangedreven

orgel wordt «bestuurd door een leger ambtenaren». Deze orgel-

metafoor suggereert, dat de eenheidsstaat tegelijk machinerie,

leger en kerk is. De staatscultuur weerspiegelt in haar vorm voor

de massa het systeem, en legt tegelijk de ware (reactionaire,

Platonisch-middeleeuwse) aard daarvan bloot.


De gebouwen der stad contrasteren met de «Griekse» randen op

straat, zonder dat deze de aandacht wezenlijk afleiden van «de

strakke monumentaliteit» der huizenblokken. De rustdag wordt op

staatsbevel gesymboliseerd door bloemen, gazons, perken en fon-

teinen, kortom: door natuur. Dit is zo'n passage waarin wordt aange-

duid hoe de natuur, zij het in haar meest geregelde, beheerste

vorm, in de «stad-staat» aanwezig is. Zo is er in de hoofdstad

ook, als «curiosum», «een enkele relikwie uit het verleden». Daar-

uit bestaat «het individuele der steden». Juist dat individuele is

het verbodene: middeleeuwse anonimiteit (vergelijk de ideeën van

William Morris) is voorschrift. Wat dat betreft heeft een principe

van de beoefening der natuurwetenschap: het resultaat telt, de

subjectiviteit van de onderzoeker is bijkomstig, hier het principe

van de schepping van kunstwerken (het artistieke is niet het object

als zodanig, maar het object als subjectieve communicatie) verdrongen.


Maar nogmaals: de techniek beheerst geenszins het hele leven.

Zo is de auto tot het oorlogsapparaat beperkt, de spoorwegen zijn

uitgestorven. Men loopt. «Men», dat is de massa, het volk. De

bevolking groeit noch slinkt, is stationair - alles in deze Staat

lijkt, met opzet, tot stilstand gebracht. De steden zijn aan elkaar

gelijk gemaakt, toerisme, beweging buiten de directe omgeving en

het woon-werkverkeer, heeft geen zin meer. De tijd schijnt, door

bewuste inspanning, stopgezet. De nivellering is bijna totaal.


De gebleven beweging, het wandelen van de massa, is onder

controle, is marcheren, in «armeeën», van groepen in «onberispelijke

vierkanten en rechthoeken». Wie zich aan de collectiviteit onttrekt,

zich «als enkeling» buitenshuis begeeft, wekt «wantrouwen (...) loopt

gevaar».


In de kleding zien we over het hele jaar genomen drievoudigheid

van kleuren: rood, wit en zwart (dit laatste de «kleur» van de nacht,

het genegeerde). Evenwijdig aan de jaarcyclus wisselen de kleuren

elkaar echter gepaard af: van 15 maart tot 15 november wit met rood,

van 15 november tot 15 maart zwart met rood. Rood, de kleur van

het agressief mannelijke, de Staat, wordt dus heel het jaar door

gedragen - vergezeld door wit in de twee «levende», door zwart in de

twee «dode» seizoenen van de vierdelige cyclus der «ewige

Wiederkehr» in de tijd (Ouroboros, de draak die in zijn eigen staart

bijt).


De massa bestaat behalve uit mannen ook uit vrouwen, hoewel de

uitwendige tekenen daarvan eigenlijk ongewenst zijn: «De Staat

kende geen seksen, - de vrouw was de volkomen gelijke van de man

geworden, doordat zij zich aan diens formule had aangepast». Het

volk bloeit onder de monotone gelijkheid van zijn levenswijze. Het

is kunstmatig gekweekt volgens voorschriften van «het demografisch

instituut», een nazi-achtig rassenkundig staatsorgaan dat nog werkt

aan verfijning van het (Mussolini-achtige!) brachycefale

(breedschedelige) type (het langschedelige type wordt als «etnolo-

gisch minderwaardig» beschouwd).


Midden in het leven zijn we in de dood. Het zwart wees daar al

op. Een wat dit betreft merkwaardige passage is die over de expo-

sitie der doden, die drie dagen in nissen voor de nieuwsgierige

massa worden tentoongesteld, waarna ze naakt en staande worden

begraven. Afwijking van de heersende orde is onder meer postuum

strafbaar: met liggend begraven worden op het «Liggend kerkhof, een

kerkhof der schande»... Nóg een passage heeft met de dood te ma-

ken: die over het voederen van arenden, als «voorname overheids-

zorg» beschreven, met kadavers. De vogels «vormden hele knekel-

huizen van zorgzaam afgekloven gebeente». (Hermes-Mercurius,

gangmaker van het alchemistisch proces, verbindingsgod tussen

hemel, aarde en onderwereld, wordt als «zevende planeet» wel voor-

gesteld als roodwitte, dubbelgeslachtige, tweekoppige adelaar (noot 5).

Ondanks alle controle zijn er in het tweede hoofdstuk heel wat tekenen

die wijzen in de richting van de onderdrukte, maar niettemin aanwezige,

natuurlijke, vrouwelijke tegenpool. Al genoemd is de «enkele relikwie uit

het verleden», zijn de bloemen enz.. Gebleven is verder het verschil

tussen rok en broek (behalve in de Raad, die krampachtige pogingen

doet het ideaal te leven). En: «Alleen de zeer snelle opmerker peilde

het individuele, en zag dat in deze kloeke groepen veel stak dat ver-

rassend schoon was». Het individuele, zich uitend als «schone» af-

wijking, is er dus wel degelijk. Als groep worden echter slechts de

uitsluitend uit mannen samengestelde armeeën «schoon» genoemd.

Argument: hun kantigheid. In het openbare oordeel tast het vrouwe-

lijk ronde blijkbaar de volmaaktheid aan. Intussen is daarmee toch

gesteld dat het bestaat, tegen de bedoeling in: «Het onderscheid in

kleding» tussen de, immers ontkende, seksen was «een rest die de

Staat niet gaarne zag». Dan staat er dat de kelen onder het wandelen

«openbarsten in hymnen». Herinnert dat niet aan het «te voorschijn

barsten» van de maan? Het is een «uitbarsting» van zang in een staat

waar «opstandigheid net zo taboe is als ontucht». Later zal ook

deze laatste welig tieren in een systeem dat, zoals hier staat,

«kuisheid» erkent «als een faktor van volkskracht».


Ook privacy blijkt niet geheel uit te roeien: «Het verbod van raam-

gordijnen was niet te handhaven gebleken en door de nieuwe Raad

ingetrokken». Dit zinnetje duidt er trouwens op dat er wel degelijk

sprake is van tegenkrachten, zoals we die ook in H.l al zagen (de 's

nachts zegevierende wolken).


Aan het slot van H.2 worden al deze afwijkingen expliciet samen-

gevat (cursiveringen van mij): «Het scheen een eenheid wat daar

luisterde, maar wie er omging met kritische blik zou ontwaren dat de

gelijkgeklede menigte toch door het gelaat uiteenviel in individuen.

De natuur, machtiger dan de wil der overheid, brak grillig speels de

monotonie der samenkomst».


Welke eenling waagt het, een «kritische blik» te werpen? Wie is

deze «snelle opmerker»?


Bol contra Blok


Het derde hoofdstuk begint met een historisch overzicht: «De

staatsmachine bestond in haar huidige vorm vijf en veertig jaar»

(men vergelijke voor de staat als machine Fritz Langs film uit 1926

Metropolis, naar het boek van Therese von Harbou). De Staat in

Blokken is «voor aardse eeuwigheid gesticht» en verandert zo goed als

niet: alle beweging, behalve die van de «ruilhandel in films», is

stopgezet. Meteen wordt ook het kritiek-motief, aan hetslot van H.2

geïnitieerd, weer opgevat: «De Staat duldde geen kritiek,

want kritiek is splijting».



Het onderdrukte verleden dient in zijn vorm van ideologie alleen

nog tot vermaak van de machthebbers, in zijn stoffelijke vorm tot

waarschuwing aan het adres van de massa. In beide vormen bevindt

het zich daarmee als kiem in hoofd en lichaam; zowel verfijnd als

grof materieel overleeft het de repressie.


Als ideologie: een oude eenling krijgt gelegenheid om voor de

Raad van 2X5 (vijf mannen, vijf vrouwen) en de andere hoge

staatsorganen, samen een gezelschap van «omstreeks 100 perso-

nen», de «kubisten van de praktijk» die hij daarmee voor zich heeft,

te kritiseren. Hij spreekt over de Bol, over de ronde schedel, de

cirkel, de schijf: «O, de heerlijkheid van de lijn zonder einde» (ver-

gelijk de «ewige Wiederkehr» der seizoenen), «het vlak zonder hoe-

ken, het lichaam zonder vlakken». Mensen, zegt hij, hebben ronde

ogen, mannen strelen de rondingen hunner vrouwen, de aarde is

rond, cirkelt om de zon, wier kleuren breken in de regenboog als de

ronde droppels vallen. Hij stelt «het liefdevolle water» tegenover

«de liefdeloze ijsschots» (koud+wit+hard). De luchtschepen (we

merkten al op dat de lichten van Mammoth een diadeem vormden) zijn

naar hij zegt (ronde ballons, machines lopen op schijven, «ge werpt

bij het spel nog steeds de discus» (tegelijk weer een verwijzing

naar het oude Griekenland). Tenslotte wijst de Bol-aanhanger nog

op de tegenstrijdige dubbelheid van beginsel en praktijk in de Staat.


Negatieve kern


«Het individu» (de eenling!) «had slechts één belang voor de Staat,

zijn staatsgevaarlijkheid»... «Mens was voor de Staat gelijk aan

vijand». Men wil alle individuen collectief, anoniem maken door

een letter-cijfercode (drie letters, staat er: was het getal drie niet

ongewenst?). Verzet tegen het afschaffen van alle namen wordt van

de zijde der moeders - die de kinderen «krijgen», dus vervolgens

«hebben» - verwacht, maar zij mogen geen uitzondering vormen op

het «grondbeginsel dat eigendom verbood». «Al wat men voortbracht

was eigendom van de staat, het zij een kind, een werk van

lichamelijkheid of een voortbrengsel van de geest»... «Het

onpersoonlijke van voortbrenging werd ook doorgevoerd in (...) ont-

dekkingen, uitvindingen, en voortbrengselen van kunst» (het staats-

bezit van kinderen doet antiek-Spartaans aan, de anonimiteit van

materiële en geestelijke voortbrengselen middeleeuws).


Maar «vroeger» is in het centrum van de stad aanwezig: de stads-

kern is als een Madurodam, een «miniatuurfoto van de kapitalistische

staat»; zij bevat patriciërswoningen, woonkazernes, krotten, sloppen

en stegen, een kerk en «ontaarde» kunstwerken uit het verleden.

Hoewel het verboden is, laten 's nachts mensen zich insluiten in

deze «kolf», deze «microkosmos», dit «hermetisch» afgegrendelde

oord, waarin de opstand kiemt, de zonde broeit - dat daarmee «de

microben van een schaduwleven buiten het gemeenschapsverband»

bevat (schaduw was één van de «nacht»-woorden in H.l).


Waanzin


Astronomie is in de Staat de hoogste wetenschap, de Raad bestaat

uit astronomen, de sterrenkunde heeft in het heelal geen god, geen

onsterfelijke ziel gevonden. Daarom is de godsdienst, de kerk af-

geschaft. De mensheid echter is onsterfelijk. Dat wil zeggen dat zij

niet samenvalt met de som van de individuen die deel van haar

uitmaken, maar «een nieuw, eigen wezen» vormt. Hier komen asso-

ciaties op met de filosofie van Schopenhauer, maar ook met de

«Gesamtarbeiter» van Marx, misschien moeten we verder denken aan

de Gestaltpsychologie die leert dat het geheel méér is dan de som

der delen, of zelfs aan het materialisme van de Perzische dichter

Omar Khayam. De uitspraak waardoor deze associaties werden

uitgelokt is: «De mensheid was onsterfelijk in a-religieuze, in

stoffelijke zin».


Dit hoofdstuk beschrijft een vergadering van de Raad, in een

lichte, koude zaal, om een vierkante tafel. Nu blijkt het einddoel

toch weer niet het vierkant (is dat alleen exoterisch, niet esote-

risch?): De Raad bevat geen persoonlijkheden, zelfs geen groep: hij

is van zestien tot tien personen teruggebracht «opdat hij geen

vierkant zou kunnen vormen». Ook het sekseverschil tussen de twee

vijftallen is genivelleerd: «De vrouwen droegen broeken als de

mannen en hadden het haar geknipt als dezen». Maar, weer staat

hier het «verwerpelijke» getal, de Raad, die één is, heeft de

traditionele drie functies. Minderheidsstandpunten worden

voorkomen door een systeem waarbij een eenling (!) drie (!)

medestanders zoekt voor zijn mening (4=1+3, ook hier). Weifeling

leidt tot executie. «Het diep menselijke der doodsvrees» maakte wie

niet geëxecuteerd werd wel waanzinnig (schizofreen,

vermoed ik). De Raad is dus slechts een monoliet ten koste van

zijn delen.


Telkens weer blijken er in de staat «onderstromen» te ontstaan,

die worden uitgeroeid. De nieuwste is de groep-A.


Vragen


De staat wordt dus ditmaal «in Frage gestellt» door de groep-A,

die «verzoening van Staat en persoonlijkheid» voorstaat, wat overi-

gens volgens haar «geen opstand» betekent, maar: «evolutie. Op

het vruchtbaar substraat van deze gemeenschap willen wij een

nieuwe differentiatie verbouwen» (let op de agrarische «moeder

aarde»-beeldspraak). «De mens hier», zegt een van de leden, «is

wel mens (...) maar niet compleet. We willen hem compleet, we

willen zijn dualiteit». Er wordt op de bijeenkomst verder gespro-

ken over «de fictie van de mensheid als eigen organisch geheel»;

deze opvatting leidt er volgens de groep-A toe, dat men haar al-

leen erkent «als kudde». De groep praat «louter-menselijk» over

onderwerpen als het geloof in een God buiten het heelal, in het

«oneindige en onbegrensde» (het «wild» doorbreken van de grenzen

der eindigheid is al volgens Goethe kenmerkend voor de, in

Blokken uitdrukkelijk bestreden, romantiek: zie bijvoorbeeld de

tuin-landschapspark-metafoor in Die Wahlverwandtschaften).


Anomalie


«De Raad voelde altijd het uiterst labiele van zijn evenwicht»...

«De Raad was doorkneed in sociale vulcanologie». De opstand,

door groep-A aangesticht, wordt met gebruikmaking van geavan-

ceerde technologie bloedig onderdrukt, de stadskern met de grond

gelijkgemaakt. «Het Kernplein, haast rond, lag vreemd, een ano-

malie, in de stad van kanten, hoeken, blokken». Vijf «ondergrond-

se» leiders worden in «de oude rechtzaal», die «nog rond» is, ge-

vonnist en, met kwartslampen blindgemaakt, door machinegeweren

neergemaaid op het ronde plein, dat half met toeschouwers is vol-

gestroomd. Op het moment van hun dood is het vijftal echter

geenszins onwaardig. De vier mannen en één vrouw krijgen «op

het laatste moment... (...) een flits van iets groots».


De Raad geeft de ernst van de onderdrukte opstand indirect toe

door - in H.8 - een feest te verordenen. Er is veel getallensymbo-

liek in de beschrijving: het feest heeft plaats op de derde vrije dag

na de opstand, «een dag in februari» (het einde van de beide

jaarlijkse «dode seizoenen» is in zicht); er zijn drie attracties. Ten

eerste vertrekt om 13 uur een raket (met vier jongemannen en vier

jonge vrouwen), die honderddertig jaar kan wegblijven. Andere

raketten, wordt meegedeeld, hebben «de achterzijde der maan in

kaart gebracht» (de vrouwelijke bol, de maan, is verheeld), tal van

asteroïden omkringd en van Saturnus de ring doorboord. De baan

van de nieuwe raket is drie jaar lang berekend. Wel staat de «raket-

werper» vijftig meter onder de grond, wat overigens als een bevruch-

ting van de moederaarde kan worden uitgelegd.


Ten tweede: een meteoriet, dertig jaar geleden neergekomen, waar-

bij 3X1000 rendieren omkwamen, heeft zich zeshonderd (2x3x100)

meter de grond ingeboord, was jaren tot op geen dertig kilometer te

naderen vanwege de hitte, werd na 25 (5x5) jaar onderzoekbaar, het

gewicht werd geschat op zeven (4+3) miljoen ton. Rondom is de

grond weggegraven, er wordt vandaag een vierkant stuk van ont-

brand (hitte + kwadratuur van de cirkel).


Ten derde wordt er een luchtspiegeling op de wolken geprojec-

teerd, de kleurige blokken van de stad van de toekomst (kleuren - ik

zet ze om in hun regenboog-volgorde en voeg de ontbrekende ertus-

sen - purper, oranje, geel, groen, ultramarijn, indigo, violet), het

«nieuw-Jeruzalem van deze Staat». (6)


Na het feest (dat alleen voor oog en oor bestemd is: slechts twee

van de vijf zintuigen, en wel de afstandelijke, worden geprikkeld)

wordt, staat er, «De hemel (...) zwart. De zwarte hemelvloer lag vol-

gehageld met sterhagel in alle korrelgrootten» (zwart als in H.l,

waar ook hagel viel: bevroren regendruppels zijn, kan men veronder-

stellen, ook macrokosmisch «wapen» van de chaos).


Uitzaaiing


In het voorlaatste hoofdstuk wordt eerst het nieuwe Kernplein be-

schreven, dat rond is tot ergernis van de Raad; men zoekt een op-

lossing door deze cirkel te vervierkanten, vol te bouwen met blokken

en in het midden een vierkant pleintje uit te sparen.


De Raad heeft het mis waar hij denkt dat mét de kernbebouwing

het kwaad is vernietigd. Het heeft zich uitgezaaid naar de perife-

rie. De «kapitalistische» zonden - geld en juwelen, lekker eten en

drinken, gokken, ontucht - zijn verhuisd, niet uitgeroeid. Vergeefs

wordt door de politie gezocht naar een tafel die bestaat uit regen-

boogkwarts (een tafel die alle zeven, dus 4+3 primaire kleuren vertoont, en in de

naam van het materiaal waaruit hij is vervaardigd ook nog eens

zowel boog als kwart bevat) en een andere van heliotroop (gesteente

van blauwachtig-groene kleur met rode stippen; heliotroop is ook

een parfum - maar ik wil niet hineininterpretieren), en verder wordt

een vermout-achtig drankje geconsumeerd, dat steriliteit veroor-

zaakt, «heet als de hel» is en «artemisia» heet (Artemis is de maan-

godin). De hitte, gecombineerd met steriliteit, wijst misschien in

de richting van het «chemisch huwelijk», de vereniging der tegen-

delen waaruit de steriele dubbelgeslachtige, de hermafrodiet voort-

komt.


Grotesk (als in Van Ostaijens Bordeel van Ika Loch) is de be-

schrijving van het dubbelleven van keurige huisvrouwen. Eén van

hen - het zou de vrouw van een lid van de Raad zijn! - draagt «een

ontzaglijke roestrode granaat» en lijkt op «een spook met een

dolkgat in haar strot vol gedroogd bloed» (de hitte der ontucht

broeit ondergronds, in de onderwereld - traditioneel het dodenrijk - de

kiemen uit die in het laatste hoofdstuk boven de grond zichtbaar

zullen worden; de vegetatiesymboliek is duidelijk).


Hoofdstuk 9 besluit veelzeggend met (ik cursiveer): «het was zoet

de zonde te bedrijven, een individu te zijn», zo niet «hoog lichtend

boven anderen in het opene, dan toch diep en vals lichtend in het

geheim».




Omslag


Het laatste hoofdstuk begint met de zin: «De Staat was in laatste

instantie militair». Daardoor was hij «een standvastig gevaar voor

het (...) evenwicht der wereld» (een opvallende combinatie van sta-

tisch en potentieel dynamisch).


Maar de Staat is innerlijk aangetast. Vooral zijn vloot, die wild

op het water speelt (drie signaalwoorden). Tijdens de wapenschou-

wing kijkt de Raad vanuit de «4» - die binnenkort zoals eerder ver-

meld zal worden opgevolgd door de «6» (2x3) - neer op de stad: «zij

zagen dat wat ordelijk scheen hier en daar de kiemen van wanorde

bloot legde. Zelfs «ontplooide zich een regiment in een boog, en

een ander (...) trachtte een cirkel te vormen». De tien zien «de wan-

orde in wording», de splijting, de celdeling» (dat is: groei, veran-

dering), en als ze neerblikken op het Kernplein valt hun ook

«een nieuw bouwblokdak» op met «het begin van een koepel als de

eerste borstzwelling van een vrouwelijk kind».


Tot slot wordt alleen nog gewezen op de «menigten, heet van hun

rusteloosheid», die onder de grond, «in de anders leeg tochtende

nachttunnels» blijven rumoeren «op de grens tussen spel en strijd»

tot «de nieuwe dag doorbrak» (doorbreken, staat er alweer). De

nieuwe orde, stond al even eerder, nadert nu al het «climacterium»

(wordt door veroudering onvruchtbaar, steriel).


Samenvatting


1.      De nacht: onbesliste strijd van licht tegen donker, van Staat

tegen natuur, mannelijk tegen vrouwelijk, 's Nachts zegeviert

de natuur even in romantische wildheid, de technologische over-

macht neemt nog toe.

2.      De dag: in de vierkante, mannelijke maatschappijvorm leeft

marginaal het verdrongen tegendeel. De staat is gedwongen tot

concessies aan de in vierkanten gedwongen massa's.

3.      De lezing: het verdrongen verleden als amusement voor de

heersende honderd. Concessie aan het machteloos gemaakte

individu en zijn «natuurlijke» ideologie: tegelijk concessie aan

de lachbehoefte van de meest ascetische, «hoogste» groep in de

staat.

4.      De stadskern: het verdrongen verleden bedreigt, vanuit de 's

nachts hermetisch gesloten stadskern, de bestaande orde. Die

kern is een concessie aan het verleden, dat als waarschuwend

curiosum fungeert tegenover de massa, maar gevaarlijk zal blij-

ken.

5.      De monoliet: de Raad is slechts monoliet als men afziet van

de mensen die er deel van uitmaken. De monoliet is dus een ab-

stractie. De ascese, de opoffering van hun menselijkheid aan de

idee van de monoliet, bedreigt de deelnemende individuen met

waanzin (gespletenheid, schizofrenie). De verdrongen menselijk-

heid, die zich uit als doodsangst, wordt telkens weer iemand te

machtig. Terwijl de monoliet geen groep wil zijn, en daarom zijn

getal heeft verminderd van 16 (4x4) tot tien, blijft ze splijtbaar

in twee vijftallen, die, ondanks vertoon van het tegendeel, in ge-

slacht verschillen; splijtbaar is ook elke «bouwsteen».

6.      De groep-A. Deze wil de mens herstellen in zijn dualiteit, wil

de complete mens, niet langer de halve; wil ook de individuele

en de irrationele kant van de mens. De groep-A is een splijtzwam,

verwoordt twijfel, kritiek, is de kiem van komende verandering.

7.      De executie («Si Ie grain ne meurt»). De massale opstand wordt

weliswaar onderdrukt, maar wat er symbolisch van overblijft is een

cirkelvormig plein in het centrum van de blokkenstad. Vijf groeps-

leiders sterven dapper.

8.      Het feest: dit bevat tal van compenserende kiemen; aan het slot

van dit hoofdstuk zegeviert de nacht.

9.      De zonde: deze is uitgezaaid van centrum naar periferie; onder-

aards broeit hitte.

10.    De wapenschouwing. Het wezen van de Staat: een potentieel

de rest van de wereld bedreigend «mannelijk» militarisme, vertoont

tekenen van omslag.Het ronde, natuurlijke is op weg naar samen-

smelting met het vierkante. Het meest symbolisch wordt dit uitge-

drukt door de prille meisjesborst die op een blok in het centrum

groeit (vergelijk de dobbelsteen met bol, die Goethe als symbool van de

vereniging der tegendelen in de tuin van zijn Gartenhaus in Weimar

liet plaatsen: Afbeelding).


Wat de compositie betreft: de tien hoofdstukken zijn op verschillen-

de wijze te ordenen:

1.      binair: de nacht staat tegenover de dag, de monoliet tegenover

de groep-A, de executie tegenover de vreugde.

2.      in twee blokken van 5, waarbij het vijfde hoofdstuk de eenheid

van de macht beschrijft, H.6 (terugtellend eveneens het vijfde) de

tegenkracht die de eenheid ondermijnt, de kiem van de verandering,

(de «quinta essentia» is dubbel).

3.      in een blok van 6 hoofdstukken die statisch (beschrijvend) zijn

en een blok van 4 die het veranderingsproces, de ontwikkeling

naar een renaissance door de dood heen, laten zien.


Het proces


Het is niet vreemd dat Bordewijks versie van het alchemistisch

proces afwijkt van die van Jung. Zoals gezegd kon hij de publica-

ties van de Zwitserse psychoanalyticus in de Eranos-Jahrbücher

van 1935 en 1936 niet kennen toen hij zijn verhaal schreef. Jung

stelt (noot 7), dat alle even getallen (dus ook de vier) zowel in oost als

west vrouwelijk zijn, de oneven getallen, dus ook l en 3, mannelijk.

Bordewijk komt vanuit de in zijn verhaal met de getallensymboliek

parallel lopende natuurlijke symboliek (het vrouwelijke is rond, in

tegenstelling tot het mannelijke) tot een omgekeerde constructie:

het vierkante leidt bij hem tot een mannelijke vier.


Wel stemt hij met Jung erin overeen, dat het licht tegen de nacht

strijdt, boven tegen onder, «goed» tegen «kwaad».


Zoals het alchemistisch proces het levenswater dan wel de steen

der wijzen wil bereiden ter vereeuwiging van het menselijk leven,

zo streeft ook de Raad vereeuwiging na, maar in eerste instantie

niet via de versmelting der tegengestelde principes (Yang en Yin)

waarvan het resultaat volgens Jung (8) «inkorruptibel» is. De Raad

bewandelt in feite (of het resultaat ook zijn bedoeling is, is onze-

ker) de weg van «oproepen van het tegendeel door toespitsing van de

eenzijdigheid».


Het volk, de massa, is te beschouwen als de door het proces te

veranderen «materia prima». Het expliciete doel, zuiverheid en

éénheid, wordt echter in Bordewijks verhaal slechts - en dan nog

uitsluitend abstract (bovenmenselijk) - bereikt in de monoliet als

idee, de Raad als norm. Loutering (destillatie) van het volk, dat

in de Staat is opgesloten als in een hermetische kolf, wordt niet,

als traditioneel in de alchemie, nagestreefd door verhitting, maar

door afkoeling. De beschreven episode van het proces speelt

zich trouwens vrijwel geheel af in de koude, «dode» wintermaan-

den (vanaf 13 november - de winter begint in Blokken op de vijf-

tiende - tot begin maart, terwijl de lente in Blokken op 15 maart

begint).


Het proces wordt behalve door kou bevorderd door druk (vergelijk

de wijze waarop in de aarde edelstenen worden gevormd). Daaruit

is het beeld van de geperste druiven te verklaren (H.9: «Er liep sap

uit de naden van het te krachtig geperste druivenvat»). Dat sap is

de «hete» zonde, waarbij een drank, «heet als de hel» wordt gedron-

ken die echter steriel maakt. Vruchtbaarheid en ontbinding komen

in de gehanteerde beeldspraak telkens dicht bij elkaar (de op een

vermoord spook lijkende ontuchtige, de flora in de darm, het kwaad

dat als wormen de aarde vruchtbaar maakt.)


Met kou en druk wordt «in het geheim», onderaards, het tegenge-

stelde van kou, hitte, opgewekt; met gedwongen stilstand een «hete»

rusteloosheid (vergelijk het kwikzilver, even rusteloos, dat als

Hermes-Mercurius katalysator is van het hermetisch proces).




Nogmaals: vragen


Noch wat het verhaal betreft, noch wat betreft de mogelijke bronnen

heb ik in dit artikel alles kunnen of willen oplossen. Een voorbeeld

van het eerste: wat betekenen de letters L.E.I. als naam van het

«duikslagschip» in H. 10? En wat de bronnen betreft: studenten in

een werkgroep onder mijn leiding hebben al in 1976 gevonden, dat

Denis de Rougemont verantwoordelijk is voor veel van de ideeën van

de groep-A. Ton Anbeek maakte mij erop attent, dat Bordewijk zijn

Blokken weliswaar eerder schreef dan Huxley zijn Brave New World,

maar dat hij wellicht voortborduurde op Zamjatin (was de Duitse vertaling hier

bekend?). Zo blijft er heel wat te onderzoeken en historisch te

plaatsen. Ik heb hier alleen gepoogd, een werk-immanente

benadering (close reading) met externe gegevens (associaties) te

verbinden, als niet al te onstevige basis voor volgenden.


NOTEN


(1)    Een omgekeerde leeswijze maakt van de politieke kant een metafoor

voor de ontwikkeling der persoonlijkheid.


(2)    zie noot (4).


(3)    Vergelijk mijn overeenkomstige benadering van Bordewijks roman

Karakter (BZZLLETIN 96, jg. 10, mei 1982).


(4)    Samen met zwart hebben we hier de belangrijkste kleuren van het

alchemistisch proces. Bordewijk gebruikt de beeldentaal van de al-

chemie, die een lange literaire traditie heeft: de Duitse piëtisten, via

hen Goethe (Die Wahlverwandtschaften); in Frankrijk de symbolisten

van A. Bertrand (l’Alchymiste in Gaspard de la Nuit, de eerste bun-

del prozagedichten; bewonderd door Bordewijk, die er een aantal

vertaalde en zelf een prozagedicht op hun auteur schreef) tot Rimbaud

(Alchymie du verbe in Une saison en Enfer). Wat de symbolische betekenis

van de kleuren betreft: zwart staat voor de ondergang van het kwaad,

wit voor volharding in deugd, rood voor loutering van de ziel, groen

voor het begin van het Grote Werk. Dit alles volgens Jung: Psychologie

und Alchemie.Weer valt op dat Bordewijk afwijkt van Jung: bij de

Zwitser is wit de koningin, rood de koning in het Chemisch Huwelijk,

bij de Hollander zijn deze beide kleuren mannelijk; zwart, het

verdrongene, de zonde, is vrouwelijk.


Bij Bordewijk is werkelijkheidsbeschrijving als alchemistisch pro-

ces ook verder in zijn literaire productie niet ongebruikelijk: voor-

beelden zijn Rood paleis uit 1936 en Noorderlicht uit 1948. Doel

van het proces is «vereeuwiging» via eenheid van tegendelen.

Vestdijks Vuuraanbidders hanteren hetzelfde stramien.


Dat die vereeuwiging met steriliteit in verband wordt gebracht,

wordt begrijpelijk als we de oosterse denkbeelden over het ont-

snappen aan de cyclus van worden en vergaan erbij halen.


(5)    Jung, a.w., ed. Walter Verlag, Olten und Freiburg im Breisgau

1975, p. 84.


(6)    Dit houdt een dubbele beperking in; ten opzichte van de fun-

deringen van het Bijbelse nieuw-Jerusalem (Openbaring 21: 19) de

volgende (vier ervan vinden we bij Bordewijk): diamant (kleur

loos), lazuursteen (ultramarijn), robijn (rood), smaragd (groen),

sardonyx (veelkleurig), sardius (onbekend), topaas (geel), beril,

(groen of geel), chrysoliet (bleekgroen + goud), chrysopaas (groen),

saffier (blauw) en amethist (violet). Ten opzichte van de primaire

kleuren is de beperking vooral getalsmatig: 7 als 4+3 werd

teruggebracht tot vier.


(7)    a.w. p. 37.


(8)    a.w. p. 53.