'Amusante' keizer, 'olijke' moordenaar?


HOE LEZEN WE COUPERUS' NAUMACHIE (noot 1)


In: Hermeneus, jg. 62 no.5 (december 1090), p,306-311.


In het verleden is Couperus' misschien wel bekendste antieke verhaal gekarakteriseerd als een staaltje van luchtige vertelkunst, en de centrale figuren, zwaardvechter Pollio en keizer Claudius, als respectievelijk joviaal en lachwekkend onbeholpen (noot 2). In het volgende zal ik na een bespreking van Couperus' verhaal en zijn antieke bronnen ervoor (noot 3) tot een nogal afwijkend oordeel komen. Ik begin met een samenvatting van de volgens mij essentiële verhaalelementen.


Samenvatting


De twintigjarige Napolitaanse bordeelhouderszoon en gladiator Pollio - hij vertelt het verhaal in de ikvorm - wordt met negenduizend collega's zwaarbewapend - zorgeloos, maar toch telkens even aan de dood denkend - afgemarcheerd naar het meer van Fucinus, waar voor een grote volksmassa - 'de hellingen waren als de treden van een natuurlijk amfitheater' - een levensechte zeeslag zal worden opgevoerd tussen twaalf 'zoo genaamde' Siciliaanse tri- en quadriremen en en twaalf 'die van Rhodos heeten te komen.' Zijn kameraad Sandarion vreest, na een onheilspellende droom, die dag te zullen sterven.


Onder het wachten op de oever knoopt een door hem als patricisch beoordeelde vrouw uit Rome een gesprek met hem aan; uit zijn antwoorden op haar vragen blijkt, dat hij tot gladiator is 'begenadigd' nadat hij twee jaar geleden een oude wisselaar om diens geld heeft vermoord. Zij schenkt hem een Egyptische scarabee als talisman om te overleven.


De ik-figuur geniet van de schoonheid van het uitzicht: 'het was mooier dan het in den oorlog is, omdat het slechts een spel was.' Sandarion en hij overwegen te vluchten, maar zien dat niet als mogelijkheid. 'Dan is het met ons gedaan, zei Sandarion.'


Keizer Claudius arriveert: 'hij wankelde vreemd op de beenen, (...) wij zagen hem grinniken; hij scheen oud, dik, en belachelijk toe: hij knikkebolde met het hoofd vermakelijk en wij moesten om hem lachen'...


De keizer is in gezelschap van zijn vrouw, Germanicus' dochter en Nero's moeder Agrippina. Tegelijk is Claudius haar oom: 'het huwelijk was eigenlijk bloedschendig, maar zij hadden zich daar niet aan gestoord en zelfs, naar het scheen, anderen van het hof, die elkander bestonden in dien zelfden graad van verwantschap, gedwongen huwelijk aan te gaan, opdat zij niet de eenigen zouden zijn'.


Een zilveren Triton rijst 'door middel van een machine' op uit het meer en blaast op een lange bazuin het beginsignaal voor de naumachie. Weer moeten de gladiatoren om de keizer lachen, 'maar de keizerin was fier en trotsch, en heelemaal niet om te lachen' (noot 4). De strijders groeten de keizer: 'Ave, Imperator! Morituri te salutant!'


De keizer antwoordt 'minzaam': 'Avete! Avete, vos!!', hij groet dus terug, wat volgens de gladiatoren betekent dat ze worden begenadigd, dat ze niet hoeven te vechten, dat ze vrij zijn. Hun verheugde reactie wekt de woede van Claudius, die dat geenszins bedoelde. Maar de knikkebollende Claudius ziet er, in tegenstelling tot Agrippina, nog altijd uit om te lachen, niet om bang voor te zijn, hoewel hij nu 'schuimbekte van woede; zijn groote mond ging als een bek open en dicht van razernij.' Daarom dringt het slechts langzaam tot de mannen door, 'dat bevel was van den keizer gekomen, dat, als de gladiatoren weigerden te strijden, zij allen verdelgd zouden worden met vuur en met zwaard.'


Dan begint het 'feestelijke,' maar niet minder echte, gevecht, het grote sterven (p. 239): 'Het was een dood zonder eer of genoegen, maar jubelende vreugdekreten gingen op onder het publiek, omdat zij dat brandende schip en die kantelende sloepen zeker mooi vonden en belangwekkend.'


Pollio's schip wordt in brand geschoten, de officieren nemen de wijk. Sandarion sneuvelt in de strijd op leven en dood die volgt, Pollio blijft tot zijn eigen verbazing als enige van zijn schip in leven, ontdoet zich van zijn loodzwaar harnas en zwemt in zijn 'ondergewaad' weg door het naar bloed smakend water, tussen lijken en stervenden door.


Veilig aan wal, ontmoet hij de patricische vrouw weer, die hem haar mantel omslaat en vervolgens met hem een kijkje gaat nemen bij het openen van de sluizen naar het kanaal waardoor Claudius het meer zal laten leeglopen. Meer dan drieduizend slaven hebben elf jaar aan dat kanaal door de berg 'van drieduizend passen' gewerkt en 'verschillende rijke bezitters hadden er gelden voor gegeven, met de voorwaarde, dat, zoo het meer droog was geloopen, zij het gewonnen land zouden verdeelen.' Nog altijd moet Pollio lachen om die rare keizer.


Na de maaltijd worden de sluizen geopend. Het kanaal blijkt echter te nauw: allen, ook de keizer, 'allervermakelijkst' knikkebollend, moeten vluchten om aan de verdrinkingsdood te ontkomen. Pollio weet de weg naar een restaurant in de buurt, waar hij gaat dineren met zijn overspelige patricische ('niemand van hare familie in Rome - haar echtgenoot niet en geen van haar slaven - wist, dat zij bij het Fucinus-meer was'...).


Bronnen


Couperus heeft voor zijn beschrijving van de feestelijkheden ter gelegenheid van de drooglegging van het meer van Fucinus, in 51 van onze jaartelling, onder meer geput uit de volgende passage van Suetonius' De vita Caesarum (Liber V, Caput XXI, 6; ik citeer de vertaling door D. den Hengst in: Rondom Claudius, Fibula Klassieke Reeks, Bussum 1975, p.52, resp.50):


‘Voor de drooglegging van het Fucinus-meer liet hij zelfs een zeegevecht opvoeren. Toen de deelnemers aan het gevecht hem begroetten met "Heil U, keizer, zij die gaan sterven groeten U," riep hij terug "Of niet". Het gevolg van die opmerking was echter dat niemand meer wilde vechten, omdat men dacht dat hij hen daarmee van het gevecht vrijstelde. Lang aarzelde Claudius of hij hen te vuur en te zwaard zou laten ombrengen. Eindelijk sprong hij uit zijn stoel en rende langs de oever van het meer, waarbij hij zich weer belachelijk maakte door zijn kreupele gang. Deels door dreigementen, deels door beloningen in het vooruitzicht te stellen bewoog hij hen tot de strijd. Bij dit schouwspel leverden de vloten van Sicilië en Rhodos, beide bestaande uit twaalf oorlogsschepen, slag met elkaar. Het trompetsignaal voor het begin van de strijd werd gegeven door een zilveren Triton die door een mechaniek midden in het meer uit het water was opgerezen.’



Claudius, staat er eerder (V, XX, 2), had meer dan één motief voor dit werk: ‘Aan de drooglegging van het Fucinus-meer begon hij evenzeer om er financieel voordeel van te behalen als om de roem. Er waren namelijk personen die aanboden het meer op eigen kosten droog te leggen als hun het zo gewonnen land geschonken zou worden.' De uitvoering verliep als volgt: 'Hij maakte een kanaal van drie mijl lengte, waarbij hij de berg deels afgroef, deels met tunnels doorboorde. Het werk kostte veel moeite en nam elf jaar in beslag, hoewel er over de hele lengte van het tracé door 30.000 man zonder onderbreking aan gewerkt was.'


Ook voor zijn beschrijving van Claudius' uiterlijk kon Couperus bij Suetonius terecht (V, XXX, in bovenvermelde vertaling op p.58): 'Maar als hij liep, zakte hij wat door zijn knieën, die niet krachtig genoeg waren. Wanneer hij iets deed, informeel of in functie, waren er veel ontsierende details. Hij had een vulgaire manier van lachen, in toorn was hij nog indrukwekkender omdat hem dan het schuim op de wijd open mond kwam en zijn neus begon te lopen. Verder stotterde hij en trilde zijn hoofd altijd, maar heel hevig als hij zich ook maar enigszins moest inspannen.'


Deze passage wordt echter voorafgegaan door de volgende: 'Een imponerende en waardige verschijning kon men hem niet ontzeggen, tenminste als hij stond, zat of vooral wanneer hij op een rustbed lag. Hij was namelijk lang van postuur, maar niet mager. Hij had een aantrekkelijk gezicht, mooi, grijs haar en een forse nek.'


Het detail van het 'eigenlijk bloedschennige' huwelijk van Claudius met zijn nichtje Agrippina ontleende Couperus aan Tacitus, die over de gang van zaken bij de sluiting ervan (in 49 na Chr.) het volgende bericht (Annales XII, 5 en 7; in de vertaling van J.W. Meijer, Rondom Claudius, p.86 e.v.): 'zij durfden de huwelijksceremonieën nog niet te voltrekken, daar het iets ongekends was, dat een nicht het huis van haar oom als bruid werd binnengeleid: ja, men vreesde zelfs, dat zo iets bloedschennis was en dat er, wanneer men daar al overheen zou stappen, openbare rampen uit zouden voortkomen.' Maar na handige manoeuvres dwingt Claudius de senaat een decreet af, 'krachtens hetwelk huwelijken tussen ooms en broedersdochters ook in de toekomst geldigheid zouden bezitten.' (noot 5)


In Annales Xll, 56 en 57 beschrijft Tacitus de naumachie (Rondom Claudius, p. 97-98):


Claudius bewapende drie- en vierdekkers, benevens negentienduizend man, en liet de oevers in het rond afsluiten met een gordel van vlotten, opdat er geen gelegenheid zou zijn om in de omtrek te ontvluchten'...'Op de vlotten stonden de manipels en vendels der keizerlijke lijfwacht en voor deze waren geschuttorens geplaatst vanwaaruit men katapulten en blijden kon richten. De rest van het meer was bezet door matrozen op overdekte schepen. Een talloze menigte vulde de oevers, de heuvels en berghellingen, op de wijze van een theater, een volksmassa toegestroomd uit de naburige gemeenten en anderen uit Rome zelf’ (...) 'Hoewel het misdadigers waren, die onderling vochten, werd er toch gestreden met de moed van dappere mannen en na veel bloedvergieten werden zij aan een algehele uitmoording onttrokken. Toen nu de vertoning afgelopen was opende men de waterweg. Nu kwam de slordige uitvoering van het werk aan de dag, daar men het onvoldoende diep naar de bodem van het meer had uitgegraven, zelfs niet tot op de halve diepte. En daarom werden er, na verloop van enige tijd, op dieper niveau tunnels gegraven en, om opnieuw de menigte te trekken, werd er een gladiatorengevecht opgevoerd op plankieren, die voor die strijd te voet over het meer waren gelegd. Ja, er werd zelfs een banket aangericht bij de plaats van uitstroming van het meer, maar dit feestmaal bereidde allen een grote schrik, omdat

het geweld van de uitbarstende wateren alles wat zich in de onmiddellijke nabijheid bevond meesleurde, terwijl zij die zich verderop bevonden door elkaar werden gesmeten of opgeschrikt door gekraak en lawaai.


In de overgeleverde samenvatting van boek LXI van Dio Cassius' geschiedenis van Rome heeft Couperus nauwelijks nieuwe details kunnen vinden voor zijn naumachie-verhaal. Als aantal deelnemende schepen wordt hier tweemaal vijftig genoemd; vermeld wordt dat de vloten respectievelijk Siciliaans en 'van Rhodos afkomstig' worden genoemd. Ook staat er, dat er wordt gevochten door veroordeelde misdadigers. (noot 6)


Metamorfose


De belangrijkste verandering die Couperus heeft aangebracht is die in het gezichtspunt met het bijbehorend perspectief. Niet langer kijken we, zoals in het verwerkte materiaal, mee met een (al dan niet neutrale) historicus, we worden op het standpunt van een betrokkene gesteld, en wel van wat op het eerste gezicht een slachtoffer van de situatie is, een 'underdog'. Bovendien wordt het verhaal in de ikvorm verteld.


We kunnen ons afvragen, wat voor gevolgen dit perspectief en deze vertelvorm voor de lezer hebben: door wiens ogen kijkt hij, wiens gedachten denkt, wiens gevoelens ervaart hij ermee? Het zal duidelijk zijn dat het de blik, de overpeinzingen, de indrukken van Pollio zijn.


Een volgende vraag is of de lezer zich nog wel kan losmaken van (zich verheffen boven) de visie van zo'n ik-figuur. Kan de lezer van een ik-verhaal zich een ruimer beeld, een meer omvattend oordeel vormen over de fictieve (in dit verhaal overigens niet louter-fictieve, voor een deel historische) werkelijkheid?


De vraag stellen is al bijna haar beantwoorden. Het kán: de lezer identificeert zich - tenzij hij 'naief’ leest - leest als een leeshongerige van zeg twaalf jaar - niet geheel met gezichtspunt en visie. Hij brengt iets mee, met name: zijn normen voor menselijk en intermenselijk handelen (normen die natuurlijk niet bij iedereen in iedere tijd gelijk zijn, maar toch: normen).


Niet alleen de lezer neemt zijn normen mee, ook de schrijver kan de zijne, ex- of impliciet, in het verhaal hebben ingebouwd.


Ons oordeel over de gepresenteerde fictieve wereld zal dus nooit louter afhangen van het oordeel van een verhaalfiguur, ook al worden we geacht (gedwongen) 'in hem te kruipen'. En ook tegenover schrijversideeën kunnen we 'afstand bewaren'.


Belangrijk zijn deze overwegingen, in het geval van De Naumachie, met name voor ons uiteindelijk oordeel over de zwaardvechter Pollio, over keizer Claudius, over het publiek en over de intenties van Couperus.


De auteur roept bij de lezer, met gebruikmaking van materiaal uit antieke beschrijvingen, een historisch aandoend beeld op van een gebeurtenis uit het jaar 51. Dat beeld vormt hij door weglating, keuze, ordening van het gehandhaafde, wijziging en aanvulling. Ik wil op enkele weglatingen, keuzes, her-ordeningen en aanvullingen wijzen.

Couperus laat weg:


1. al het positieve in Suetonius' beschrijving van Claudius' uiterlijk;


2. het feit dat de overlevenden worden gespaard, mits ze dapper hebben gevochten;


3. het feit dat de werkzaamheden na de naumachie moeten worden hervat, en de tweede openingsplechtigheid met gladiatorengevecht.


De auteur kiest voor twaalf plus twaalf schepen zoals Suetonius, maar bij hem zijn het niet zoals bij deze bron (de Latijnse tekst is hier preciezer dan de vertaling, die de verschillende soorten boten neutraliseert tot 'oorlogsschepen') allemaal triremen; net als bij Tacitus vechten vloten van zowel tri- als quadriremen. Cassius Dio, zagen we, vertelde dat het er beiderzijds vijftig waren.


Herordening heeft bij Couperus plaats overeenkomstig het nieuwe perpectief, maar ook volgens de classicistische regel 'eenheid van tijd en plaats’: deze kan dienen als verhaaltechnische verklaring voor een aanpassing van het benutte historische materiaal: het kwam de auteur niet goed uit dat naumachie en maaltijd in tijd ver uiteen lagen, dus 'schrapte' hij in zijn bronnen. Als vaker (noot 7) gaat bij Couperus het verhaal boven de historische werkelijkheid.


Gewijzigd zijn de getallen. Op vierentwintig schepen (Suetonius) negentienduizend man (Tacitus), dat was Couperus wellicht wat te gortig: hij haalde er tienduizend van af. Kende hij Dio's honderdtal schepen? De dertigduizend man die het kanaal bij Suetonius groeven deelde hij zelfs door tien!


Tot slot de aanvullingen. Het belangrijkst komen mij de individualiseringen voor. Pollio en Sandarion: een overlever en een moriturus; de patricische; het publiek. In de relatie tussen deze fictieve figuren kon Couperus de lezer (exemplarisch?) confronteren met menselijk gedrag, impliciet met zijn normen daarvoor. Wat is de vriendschap van Pollio voor Sandarion waard (uit het oog uit het hart!), hoe kijken we aan tegen het aanpappen van de domina met de wegens roofmoord veroordeelde bordeelhouderszoon?


Ook andere aanvullingen wijzen de lezer de weg. Bijvoorbeeld de uitspraak: 'Het was een dood zonder eer of genoegen', onmiddellijk gevolgd door een sarcastische beoordeling van de toeschouwers, die plezier hebben in de wrede moordpartij: 'maar jubelende vreugdekreten gingen op onder het publiek, omdat zij dat brandende schip en die kantelende sloepen zeker mooi vonden en belangwekkend.'


Ook dat de officieren de wijk nemen staat nergens in de bronnen. Couperus heeft blijkbaar geen hoge dunk van militaire meerderen die hun mannen de dood insturen maar er zelf tijdig vandoor gaan.


De gruwelijke realiteit van dit oorlogs-'spel' krijgt de lezer van Couperus' verhaal letterlijk in de mond tijdens de vlucht van Pollio: 'Het water proefde naar bloed.'


Moraal?


Bij het verhaal wil ik enkele kanttekeningen maken: het is mijns inziens niet moeilijk er een sociale en ethische kant in te ontdekken. Een 'spel' met leven en dood van mensen ten pleziere van machthebbers en genodigden zou toch in de ogen van het lezerspubliek geen verheffende vertoning dienen te zijn, ook al hebben de 'morituri' nóg zo veel op hun kerfstok. Dat Couperus het antieke publiek laat genieten van de 'schoonheid' van dit tafereel, impliceert in mijn ogen kritiek van de auteur op dat antieke publiek. Een kritiek die hij blijkbaar niet op iedereen heeft weten over te dragen. Voor mij heeft de 'schoonheid' in dit tafereel een onverkwikkelijke 'bloedige bijsmaak'. De houding van de 'domina' versterkt dit alleen maar.


Door de ikvorm wordt de lezer gedwongen, zich voor de duur van het verhaal in de positie van de 'slachtoffers', de gladiatoren, te verplaatsen. (noot 8) Anderzijds maakt de houding van Pollio als hij eenmaal is gered mij gevoelsmatige identificatie ten enen male onmogelijk. Couperus laat zijn 'held' immers geen gedachte meer wijden aan zijn zojuist gestorven kameraad Sandarion. Dit wordt overigens wel 'verantwoord' door het verhaalfeit dat Pollio al op zijn achttiende om geld moordde.


Een lezer die bereid en in staat is dit verhaal aan ethische normen te toetsen, zal echter vooral de razende machthebber, keizer Claudius, verfoeien. En het 'volk', dat juicht bij het wrede schouwspel.


Ik hoop in de voorgaande analyse aannemelijk te hebben gemaakt dat de karakteristiek van de centrale figuren in De Naumachie, waarmee ik dit artikel opende, onjuist is. Ik heb geenszins de indruk dat Couperus zich - en zijn lezers - met Claudius alleen maar heeft willen amuseren. Evenmin is mijn eindindruk dat gladiator Pollio alleen maar 'joviaal, levenslustig, open en olijk' zou zijn. Het verhaal als geheel is zeker niet louter 'speels, badinerend' en het is beslist te gemakkelijk om het af te doen als 'een wonder van luchtige schrijfkunst', waarin 'tintelt de geest van Couperus' speelse arabesken'.


Noten


1. In De antieke verhalen, Amsterdam 1990, p. 228-247; voor het eerst gepubliceerd in Groot Nederland, 1910, deel H, p. 13-31; herdrukt in Schimmen van Schoonheid, 1912, p. 43-66.


2. Th. Bogaerts heeft in de inleiding van zijn bloemlezing Vreugde van Dionysos (Den Haag, 1960) over De Naumachie van Louis Couperus het volgende opgemerkt (p.22): 'Couperus amuseert zich terdege met de onbeholpenheid van Claudius in De Naumachie. In dit meesterstukje van speelse schrijfkunst laat de auteur een levenslustige, olijke gladiator aan het woord'...

   In De antieke wereld van Louis Couperus (Amsterdam 1969) schrijft Bogaerts op p.74: 'Het gebeuren wordt verteld door een jonge gladiator Pollio, een joviale, open natuur, wiens vrolijkheid nochtans getemperd wordt door de angst voor een voorbarig afscheid van het beloftevolle leven' (...) 'De meedogenloze strijd wordt bij Couperus een levendige en kleurrijke vertoning' (...) 'In deze vlotte vertelling, een wonder van luchtige schrijfkunst, tintelt de geest van Couperus' speelse arabesken.' Op p.86 tenslotte stelt Bogaerts: 'het verhaal De Naumachie en de roman De Komedianten zijn prachtige voorbeelden van de speelse, badinerende behandeling van een antiek gegeven.'


3. In een noot voegt Bogaerts hieraan toe: 'Behendig combineert Couperus de gegevens van Tacitus (Annales, 56-57) en Suetonius (Claudius, XX, XXI, XXXII). Na een eerste inhuldiging moesten de werken worden hervat omdat de waterafvoer onvoldoende was. Bij de tweede openingsplechtigheid deed zich de door Tacitus vermelde overstroming voor.'


4. Zij, Nero's moeder, is op dat moment volgens alle geciteerde antieke historici de werkelijke machthebster.


5. Ook vermeld in de overgeleverde samenvatting van Dio Cassius LXI, 31, 8.


6. LXI, 33, 3.


7. Zie bijvoorbeeld ook mijn analyse van Antiek Toerisme in hoofdstuk 4 van mijn dissertatie De omrankte staf; Couperus' antieke werk deel I: van 'Dionysos' tot en met 'Herakles' (Leiden 1989).


8. Interessant is het, dit gezichtspunt (standpunt waarop de lezer door de auteur ten aanzien van de fictieve wereld geplaatst wordt) te vergelijken met het geheel andere in Claudius the God (1934) van Robert Graves. Daar, in hoofdstuk XXXI, bekijken we hetzelfde tafereel door de ogen van de aanstichter - en we lezen zijn gedachten. Ook de ikvorm dus, maar wat een verschil! Toch geldt ook hier: het oordeel is aan de lezer, waarbij hij zich kán (maar niet hóeft te) laten sturen door normen die de auteur in zijn verhaal heeft ingebouwd.