COUPERUS' KONINGSROMANS EN DE 19DE-EEUWSE WETENSCHAP


Naturalistische' aanvullingen op een recente dissertatie


In: Spektator, jg. 20 (1991), I, p.1-9


Jeannette E. Koch is in september 1989 te Leiden gepromoveerd op een boek van ruim vierhonderd pagina's over 'achtergronden' van Couperus zogeheten 'koningsromans', Majesteit (1893) en Wereldvrede (1895). (noot 1) Zij heeft, in de contemporaine werkelijkheid - met name zoals deze werd weerspiegeld in de internationale geïllustreerde pers - en in het werk van Franse voorlopers, veel van het door Couperus verwerkte materiaal met zekerheid achterhaald.


Het is niet mijn bedoeling hier haar dissertatie te recenseren. Zeker over het tweede hoofdstuk, waarin de beide romans beknopt worden geanalyseerd, en over het zesde, waarin ze 'psychografisch' (als 'uitstortingen des gemoeds' - en daarmee geheel in de geest van F.L Bastet) worden bekeken, zou veel te zeggen zijn. Ik laat dat echter graag aan anderen over en beperk mij tot aanvullingen uit een andere hoek.


Mijn uitgangspunt bij het lezen van heel Couperus' werk, en dus ook van de 'koningsromans' is, dat de auteur zijn schrijversleven lang nooit wezenlijk van het naturalisme is afgeweken. (noot 2) Eerder heb ik de opvattingen van Zola, (noot 3) in Nederland geïntroduceerd door Couperus' vriend Netscher, samengevat in een artikel, getiteld In het voetspoor van Zola. Couperus als naturalist (noot 4). Het volgende citaat hieruit heb ik ook overgenomen in mijn proefschrift (noot 5): "De naturalistische auteur is een experimenterende moralist. Hij beoogt bij te dragen aan de beheersbaarheid van het individueel en sociaal menselijk handelen door de lezers, zonder schrijverscommentaar, de veranderbare oorzaken van sociaal schadelijk handelen te laten zien." (noot 6)


Mijn aanvullingen op de 'achtergronden' van Jeannette Koch zijn een uitvloeisel van mijn van de hare afwijkende, 'naturalistische' manier om tegen het werk van Couperus aan te kijken. Deze blikrichting impliceert namelijk óók aandacht voor gegevens uit kennisgebieden buiten de literatuur en de contemporaine werkelijkheid. Bij Majesteit en Wereldvrede denk ik dan bijvoorbeeld aan de psychologie (van Herbert Spencer, door de auteur in Metamorfose genoemd) de psychotherapie, de sociologie (van Comte), de biologie (of 'natuurlijke historie') en de filosofie (met name in zover zij politiek getint is). Vanzelf spreekt, dat een speurtocht naar zulke gegevens (Comte en Spencer behandel ik hier niet) een verheldering van de romans moet dienen, verheldering via historisering: met als doel na te gaan hoe de tekst bij Couperus' eerste lezers kon functioneren.


Suggestie


Een saillant voorbeeld is meteen al de psychotherapie. De hoofdfiguur van Majesteit, Othomar, lijdt aan een psychische kwaal en wordt daarvan door Professor Barzia niet alleen met een "dubbele, daagse koudwaterdouche" (p.423), maar ook met "suggestie" (p.438) genezen. Wat houdt de hier beschreven geneeswijze in, algemener geformuleerd: wat moeten we in de jaren negentig van de negentiende eeuw verstaan onder psychotherapie.


Wij zijn spontaan geneigd bij dat woord aan Freud te denken. Echter: Freud was in die tijd in Wenen bezig de grondslagen te leggen voor de psychoanalyse. Vermoedelijk (noot 7) te ver van Couperus' bed. Toch heeft Freud mij wat die "suggestie" betreft op het spoor gezet. In 1888 (noot 8) verscheen van zijn hand namelijk de Duitse vertaling van het eerste, nog voornamelijk theoretische, deel van: Hyppolyte Bernheim: De la suggestion et de ses applications a la thérapeutique, Paris 1884. Een derde druk van deze samenvatting van de denkbeelden van de 'school van Nancy', uitgebreid met tal van ziektegeschiedenissen, verscheen te Parijs in 1891.


Ik had ditzelfde spoor overigens dichter bij huis kunnen zoeken en vinden: Frederik van Eeden immers studeerde net als Freud bij Charcot in Parijs en werkte evenals deze als leerling van Liébault in Nancy. Van Eeden bracht van zijn ervaringen verslag uit in Het beginsel der psychotherapie (voordracht voor het tweede internationale congres voor psychologie in Londen; de Nederlandse vertaling verscheen in Amsterdam, in 1892 als brochure, in 1894 in de tweede reeks der Studies). (noot 9)


Wat zijn de 'suggesties' waarmee (naast water) dokter Barzia Othomar behandelt? Ik citeer (Verzameld Werk dl. II, p. 463): "De koudwaterdouches hadden de prins opgestijfd, maar de suggesties van de professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit haar onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht nog ingrijpender geneesmiddel gebleken. De prins had zich leren beheersen"...


Hier doet zich meteen een moeilijkheid voor. Van Eeden poneert namelijk in zijn lezing, in afwijking van Bernheim wiens methode hij zegt samen te vatten, een scherpe tegenstelling tussen suggestie en hypnotisme. Van de diepe hypnose, het 'somnambulisme', door Bernheim beschreven en bij zijn 'suggestietherapie' toegepast, wil Van Eeden niets weten.(noot 10) Ik citeer: "Als algemene naam voor de behandeling kozen wij [=zijn collega Van Renterghem en hij] in 1889: suggestieve psychotherapie. Psychotherapie noemden wij elke therapie die geneest door tussenkomst der psychische functies van de lijder zelf. (...) Het woord 'suggestief’ voegden wij eraan toe omdat de suggestie, in de door Bernheim omschreven betekenis, in onze behandeling de grootste rol speelt."


Van Eeden zou willen dat het woord hypnose nooit in verband met psychotherapie werd gebruikt. Het toepassen van hypnose heeft volgens hem namelijk de hele psychotherapie in diskrediet gebracht. Had Liébault, zo stelt hij, eerder aandacht gekregen dan Charcot, "even rustig en onbenadeeld als de massage, de hydrotherapie, de elektrotherapie, had dan de suggestieve therapie als de onschuldigste zaak ter wereld zijn weg gevonden."... "De slaap, die bij de psychotherapie te pas komt, als bevorderlijk voor de genezing en voor de kracht der suggestie, kan men kortheidshalve hypnose noemen, maar behoort niets anders te zijn dan een door suggestie teweeggebrachte normale slaap, een suggestie-slaap."


Van Eeden ziet verder een wezenlijk verschil tussen toepassing van suggestie in een armenpraktijk, waar commanderen helpt - het betreft hier immers "onbeschaafden, kinderen en gedweeë individuen" - en die van suggestieve therapie bij beschaafde patiënten, welke laatsten naar hij zegt niet willen aannemen zonder te begrijpen: "tot den zeer intelligenten spreekt ge als tot uzelf (...) ge toont hem de mogelijkheid om pathologische toestanden door psychische functies, door willingen (volitions) te beheersen en te genezen. Ge zegt dat ge hem niet zult dwingen, maar eenvoudig de weg wijzen. (...) Het ideaal is (...): geringe ontvankelijkheid voor vreemde impuls, zo groot mogelijke centralisatie, zo groot mogelijk ideoplastisch vermogen (dit laatste omschreven als “invloed der ideeën op de fysiologische functies"). In deze citaten valt op dat enerzijds de ziekten die moeten worden genezen worden geacht van fysieke aard te zijn, en dat er anderzijds van wordt uitgegaan dat de psyche ze kan beïnvloeden. En wel: de psyche van de patiënt zelf. Aan de suggererende geneesheer wordt, behalve in de armenpraktijk, zeker geen allesoverheersende rol toegeschreven, niet dus de rol die een hypnotiseur wél kan spelen.


Hiermee is wel duidelijk waar Barzia mee bezig is (zie het Couperus-citaat hierboven): niet met hypnose-a-la-Bernheim, maar met goed-'Vaneediaanse' suggestieve psychotherapie.


Ik wil nog wat dieper in de medische wetenschap van die dagen doordringen. Op welke diagnose baseert Barzia in de roman zijn therapie (voor Couperus' tijdgenoot misschien vanzelfsprekend, voor ons honderd jaar later zeker niet)? Eerst lezen we op p. 405, dat hij en de lijfartsen geen organische gebreken hebben geconstateerd, al is Othomar "over het algemeen van een tere constitutie". Wel noemen ze het "zenuwgestel" van de prins "verontrustend afgemat", ja "volslagen afgewonden". Daarbij prijzen ze de "zelfbeheersing" van Othomar; deze “heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden".(noot 11) Barzia noemt (p.407) naast deze zelfbeheersing, "die mij aan de prins zelve onbewust schijnt te zijn", "een buitengewoon plichtsbesef” als eigenschap van Othomar, en hij acht het "hoge kwaliteiten (...) in een aanstaand heerser..." Met rust (en koude baden, dus) zal alles wel goed komen.


Maar Othomar voelt zich niet sterk genoeg om zijn vader op te volgen. Hij wil afstand doen ten gunste van zijn "middeneeuwse" (p.425) broertje en weigert te trouwen en een troonopvolger te verwekken. Door het lezen van actuele politieke geschriften (p.416) onderbouwt hij zijn gevoel van onvermogen met ideeën over het onrechtmatige van het keizerlijk gezag (ontleend aan een God waarvan hij onder invloed van die lectuur het bestaan betwijfelt). Net als Barzia voelt Othomars moeder, en wel "instinctief”, in zijn ziel echter interessante tegenkrachten, "een geheime veer" (hierop kom ik terug bij de erfelijkheid). Maar hij moet door een diepe crisis heen voor hij zal "opveren". Vlak voor die crisis, waarin de kroonprins zich in bijzijn van keizer Oscar van het leven probeert te beroven (p.432 e.v.) wordt zijn innerlijke situatie vanuit het gezichtspunt van Barzia als volgt beschreven

(p.424):

 

De prins was niet fors, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski: het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijn Romaanse bijmengingen, maar zich had behouden: een geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, (...)• Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden; wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelfbeheersing en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. (...) hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt (...) dit bloed toch niet zó verarmd was, dat men het delicate van deze aanstaande keizer uitputting van ras kon noemen.


De verteller - en Couperus zelf? - kan niet nalaten zijn 'Europese specialiteit voor zenuwziekten' van enige vooringenomenheid te verdenken: "Misschien tintte Barzia's plotselinge sympathie voor de prins deze fysiologische diagnose met te veel optimisme." De prins was hem "ineens lief geworden" om bepaalde "psychische kwaliteiten", "deugden" die hij "spontaan, onoverdacht, onberekend" (vergelijk het instinctieve oordeel van Othomars moeder) in de prins aanwezig wist "als een hem onbekende schat". Deze "waren het enige dat hem genezen kon": mits ze op dit keerpunt van zijn ontwikkeling niet verloren gingen, zouden ze die genezing bewerken door hem "in morele kracht" bij te geven wat hij in fysieke miste.



In deze redenering is Barzia een echte ... Van Eeden: een "afgemat zenuwgestel" (fysieke kwaal), slechts te genezen door de psyche van de patiënt zelf. De suggestie beperkt zich tot het bewust maken van de onbewuste geneeskrachtige deugden.


Othomars wanhopige sociale en politieke overpeinzingen over zijn toekomst als keizer, over zijn machteloosheid tegenover het volk dat hij liefheeft, worden door Barzia intussen onderschat. De zenuwarts kijkt alleen naar Othomars innerlijk, naar zijn veronderstelde erfelijke fysieke kwaliteiten en naar irrationeel bij hem veronderstelde psychische deugden - de uitwendige, sociaal-politieke dimensie van diens problemen ontgaat hem. (noot 12) Via die fout van de psychiater buigt Couperus de roman om in de richting die hem voor ogen stond: hij wilde een politieke roman schrijven waarin de in- en uitwendige 'bepalende factoren' - erfelijkheid, milieu en moment - tenslotte ondergeschikt zouden zijn aan het bewust, gewild sociaal handelen.


Die wilskracht, zelfbeheersing, wordt door Barzia, in het spoor van Frederik van Eeden, intussen wel aangewakkerd. In Wereldvrede zal Othomar vanuit deze 'deugden' - ondanks een incidentele terugval in zenuwzwakte - keizerlijk regeren. Barzia maakt inderdaad geen gebruik van hypnose, de slaap die hij oproept is een normale slaap (p.439-440).


Of Couperus zelf naast Van Eeden ook Bernheim heeft gelezen is moeilijk vast te stellen. De ziektegevallen die in diens boek worden beschreven zijn doorgaans zonder parallel met het 'geval'-Othomar. Toch is er één dat enkele overeenkomsten vertoont: op p.433-434, een geval van mannelijke hysterie. De patiënt is net als Othomar 21 jaar oud, hij lijdt als deze onder verstikkingsgevoelens, vertoont huilbuien, vermoeidheid, is overgevoelig. Zijn problemen zijn onstaan, op 12-jarige leeftijd, door "des tourments d'esprit violents, des idées noires et un peu de fatigue, mais [dan nog] sans impossibilité de travailler." Door lectuur worden deze "tourments d'esprit" later weer opgewekt. Ook hij ondergaat hydrotherapie, lijdt aan 'inertie de corps et d'esprit', tot verlamming toe, en wordt met suggestie genezen. Ik geef het 'geval' voor wat het is.


Erfelijkheid


Intussen is, in de 'fysiologische diagnose' van professor Barzia, de erfelijkheid aan de orde gekomen. Erfelijkheid als mogelijk bepalende factor in het menselijk leven vinden we bij Zola. Barzia ziet in Othomar uitdrukkelijk het kind van beide ouders, met name echter "de spruit zijner vaderen" (al heeft het Slavische bloed zich "geënerveerd" door "Romaanse bijmengingen": zijn moeder is Roemeense; al op p. 270 voelt ook Othomar dat hij "meer Slavisch dan Romaans" is). Barzia onderscheidt in het erfgoed van vaderszijde enerzijds ruwe kracht, taaiheid geworden, anderzijds wreedheid en sensualiteit, terug te vinden in ontzenuwing. Volgens hem is dus niet Othomars móeder voor diens zenuwzwakte, diens "ontzenuwing" aansprakelijk te stellen - zelf doet zij dit wel! - maar moet deze worden toegeschreven aan negatieve kanten van de voorvaderen.


Iets anders is het 'delicate' van Othomars lichamelijke verschijning. Al staat het vader Oscar aanvankelijk niet aan, deze verfijning wordt door Couperus geenszins negatief beschreven. Hij deelt dat delicate met zijn moeder (een menselijke vrouw, die slechts door het tegennatuurlijke "stand-moeten-ophouden" als keizerin op het volk een negatieve, starre indruk maakt). Zij berust, meestal maar niet altijd, in de "dierlijke" eigenschappen van haar echtgenoot: zijn machteloze driftbuien en overspelige neigingen. (Zelfs deze autocraat is overigens geenszins altijd negatief getekend. In wezen is hij niet minder sociaal gevoelig dan zijn zoon: bij de overstromingen schrijft hij zelfs - op p. 248, de zesde pagina van Majesteit -: "Het hart breekt mij dit alles te zien en er zo weinig aan te kunnen doen." Hij komt ook wat zijn zoon betreft tenslotte tot beter inzicht: op p. 451 zal hij hem zelfs benijden om "een kracht, die taaier was dan spierkracht").


De "angst" van de keizerin is geenszins zwakte maar - naar zal blijken geenszins irreële - moederlijke zorg om wat haar man en kinderen in die woelige tijden zal kunnen overkomen.


Othomars moeder identificeert zich intussen sterk met haar zoon. Zijn "zwakte" rekent ze zoals gezegd zichzelf aan. Ze meent dat het Othomar door haar schuld aan heerserskracht1 (noot 13) ontbreekt. Aan wie kan het anders liggen dat in zijn aderen de "enkele druppel van een heilig bloed" ontbreekt, de "enkele atoom van neergedaalde goddelijkheid", die de "Majesteit" van een vorstenhuis nu eenmaal haar "exclusief hoog rechtmatige" karakter geeft? "Gekroonde hoofden" hebben die immers, in hen is "een essence van eigenschap enig, waarom zij zijn boven de menigte", meent zij vanuit haar "aanbiddelijk naïeve geloof”.


Jeannette Koch heeft erop gewezen (t.a.p. p. 62-63), dat Couperus de druppel heilig bloed later serieus ter sprake brengt, dus zonder gekscherend naar het naïeve van het geloof erin te verwijzen. Ik heb de neiging slechts in de veronderstelde 'goddelijke herkomst' van de druppel de naïviteit te zien, in de omschrijving als "essence van eigenschap in gekroonde hoofden" echter een verwijzing naar de erfelijkheidsleer van die dagen.(noot 14) Lang is men er immers van uitgegaan (Freud tot het eind van zijn leven: zie de biografie van Peter Gay, in de index s.v. Lamarckianism), dat eigenschappen, ingeslepen door gedrag, erfelijk zouden zijn. Bij Lamarck staat het er overigens heel kritisch, op p. 334 van het tweede deel van zijn Philosophie zoologique uit 1809 (2e druk Paris 1873). Lamarck ziet de dispositie tot bepaalde neigingen weliswaar als erfelijk, maar pas oefening binnen geschikte omstandigheden van de vermogens die door deze disposities worden begunstigd maken de mens tot wat hij op een gegeven moment is.


Ook via Darwin konden zulke 'Lamarckiaanse' opvattingen zich verbreiden: in Het ontstaan der soorten van dieren en planten door middel van de natuurkeus of: Het bewaard blijven van bevoorrechte rassen in den strijd des levens (vert. T.E. Winkler, Haarlem 1860) lezen we (hoofdstuk 7, p.223): "Vooronderstellen wij dat eene handeling der gewoonte erfelijk wordt - en ik geloof dat het bewezen kan worden dat zulks somtijds gebeurt - (...) het zou de grootste dwaling zijn te vooronderstellen dat het grootste gedeelte van hetgeen wij instinkt noemen, door de gewoonte in eene generatie verkregen en vervolgens door volgende generatiën overgeërfd was.'' En op p. 228: "Het opbrengen, apporteren, van het wild is zekerlijk in zekere mate erfelijk bij sommige honden; en de neiging om rondom een kudde schapen te lopen, vertoont zich erfelijk bij den herdershond" (...) "Ik kan niet zien, dat die handelingen wezenlijk van instinkt verschillen."


Zie hier de overgeërfde "essence van eigenschappen", bij Couperus b.v. de "heerserskracht", die tot zoiets als "het instinct der vorsten" zou behoren (noot 15) (sit venia voor de impliciete vergelijking van vorstelijke eigenschappen met het gedrag van honden). (noot 16)


Politiek


In deze laatste paragraaf wil ik zeker niet uitputtend zijn. Het politiek plaatsen van Couperus' koningsromans vergt een uitgebreide analyse van met name de tweede, Wereldvrede. Hierboven heb ik aangegeven in welke richting mijn gedachten daarbij gaan: waar ik namelijk stelde, dat Couperus politieke romans heeft willen schrijven waarin de in- en uitwendige 'bepalende factoren' - erfelijkheid, milieu en moment - tenslotte ondergeschikt zouden zijn aan het bewust, gewild sociaal handelen. Hoe Othomar tenslotte greep krijgt op zijn (Darwinistisch) instinct lezen we in Wereldvrede. Het dringt daar (hoe Goethiaans) tot hem door dat de “dadelijkheid” ofwel het heden, het enige tijdstip is dat ingrijpen in de werkelijkheid mogelijk maakt (tegenover het verleden, een belemmerende last, en de toekomst, die slechts illusies bevat). Tegelijk leert hij de uiterlijke beperkingen (het 'moment' van de naturalisten) te accepteren, die beletten dat een individueel streven zuiver wordt gerealiseerd. Een ideale staat kan slechts met ideale mensen worden verwerkelijkt.


Ik vervolg in Schopenhauers Duits (Die Welt als Wille und Vorstellung, I, 4.62): "Um einen vollkommenen Staat zu gründen, muss man damit anfangen, Wesen zu schaffen, deren Natur es zulässt, dass sie durchgängig das eigene Wohl dem öffentlichen zum Opfer bringen. Bis dahin aber lässt sich schon etwas dadurch erreichen, dass es eine Familie gibt, deren Wohl von dem des Landes ganz unzertrennlich ist; so dass sie, wenigstens in Hauptsachen, nie das eine ohne das andere befördern kann. Hierauf beruht die Kraft und der Vorzug der erblichen Monarchie."(noot 17)


Is het niet net of Couperus zijn Othomar vanuit deze passage heeft geconstrueerd?


Conclusie


Met de voorgaande uitweidingen heb ik aannemelijk willen maken, dat ook Majesteit en Wereldvrede als naturalistische romans gelezen dienen te worden. Zo hebben ze wel degelijk een 'wetenschappelijke' basis. Het is echter niet onze wetenschap. Bepaalde, in de 19de eeuw gangbare, natuurhistorische, psychologische, sociologische en politieke denkbeelden doen ons nu verouderd of zelfs mystiek aan. We moeten ons dan ook bij het lezen van deze boeken niet onhistorisch-naïef laten leiden door onze eigen, laat-20ste-eeuwse, opvattingen en begrippen. Doen we dat wel, dan zullen we ten onrechte concluderen dat de auteur het gedrag van zijn personages menigmaal irrationeel heeft gemotiveerd. Uit onderzoek naar Couperus' mogelijke wetenschappelijke bronnen blijkt het tegendeel. De fictieve wereld is zo opgebouwd, dat de lezer in Couperus' dagen een beeld kreeg van determinerende factoren die een belemmering vormen voor juist maatschappelijk handelen (in casu van vorsten). Daarnaast zag hij in deze romans, hoe zulke ongunstige factoren met behulp van de wetenschap vielen te overwinnen. Tenslotte duidt Couperus aan, aan welke maatschappijvorm hij de voorkeur geeft. En van de juistheid van die voorkeur probeert hij zijn contemporaine lezer 'wetenschappelijk' te overtuigen.


Noten


1. De Koningsromans van Louis Couperus. Achtergronden. Gepubliceerd bij het Istituto Universitario Oriëntale, Dipartimento di Studi Letterari e Linguistici dell'Occidente, Piazza S. Giovanni Maggiore 30, 80134 Napoli.


2. Dat deze romans in tegenstelling tot Couperus' Franse literaire voorbeelden niet 'decadent' genoemd kunnen worden, stelt Jeannette Koch in haar dissertatie op p.293 (ik cursiveer): "De schrijver heeft zijn eigenlijke verhaal, het psychologische drama van zijn hoofdpersonage, op [de] wijze van de Franse Koningsromans aangekleed." Even later (op p.299) veronderstelt ze weliswaar nog even dat Couperus zijn koningsromans kan hebben "weggedraaid van het Franse literaire dekadentisme naar een Nederlands equivalent ervan: een 'fatsoenlijker' dekadentisme." Maar haar definitieve voorstel blijkt (p.300): "Ik ben geneigd te stellen dat Couperus met zijn koningsromans (...) in laatste instantie (...) géén dekadente koningsromans heeft geschreven." Met die uitspraak wijkt ze evenzeer af van de opvattingen van Jan Fontijn in Leven in extase (p.192 e.v.) als ik, in mijn dissertatie, van de verwante opvattingen van Jaap Goedegebuure (naar aanleiding van De Berg van Licht). Couperus is hier dus volgens haar geen decadent - maar waarom eigenlijk geen naturalist? Het 'psychologisch drama' (Zola's 'inwendig milieu') is er al, zie boven, nu de sociaalpolitieke interesse (Zola's 'uitwendig milieu') nog: is die in deze romans echt zo moeilijk te vinden? Toch stelt Jeannette Koch op p.231: “De politieke bedoelingen in de koningsromans, die men hem wel in de schoenen heeft willen schuiven (...) lijken geen reden van bestaan te hebben." Ik verschil hierin met haar van mening.


3. Sommigen zullen tegenwerpen dat de Nederlandse naturalisten hebben geleerd van Zola's praktijk, die van zijn theorie verschilde. Echter: wat Netscher primair in Nederland heeft geïntroduceerd is niet Zola's praktijk, maar diens theorie. En in die theorie staat centraal de keuze pro wetenschappelijk determinisme en contra het fatalisme dat daar volgens Zola diametraal tegenover staat. Aanhangers van de gedachte dat Couperus naturalist maar niettemin fatalist was, varen blind op uit de context geïsoleerde meningen van personages in diens boeken, die ze in een naïeve kortsluiting aanzien voor meningen van de auteur. Het steeds herhalen, in de secundaire literatuur, van de aanduiding van Couperus als "schrijver van het noodlot" heeft een zo men wil 'fatale' aantrekkingskracht op hen 'die erbij willen horen' en zich zo grondige analyse van het primaire werk denken te kunnen besparen.


4. Bzzlletin 129 (oktober 1985), p. 17-22.


5. p. 202 van De omrankte staf. Couperus' antieke werk deel I: van 'Dionysos' t/m 'Herakles'.


6. Mijn 'naturalistische' leeswijze staat, zoveel zal duidelijk zijn, haaks op een 'psychografische' à la Bastet (en nu ook Koch), waarbij de aandacht vooral - en al te vaak uitsluitend - wordt gericht op de relatie tussen maker en maaksel, en waarbij als functie van dit laatste vooral wordt gezien: expressie van het biografisch lief en leed van de eerste. Mijn belangstelling gaat vanouds meer uit naar de maatschappelijke waarde van literatuur, naar de ideologische invloed, die schrijvers via hun werk op hun publiek proberen uit te oefenen.


7. De Studiën über Hysterie (met J. Breuer) verschenen pas in 1895, al lag er sinds 1893 een 'Vorlaufige Mitteilung').


8. Freud had al in 1887 de Leçons sur les maladies du système nerveux van Charcot (uit 1886) vertaald.


9. Hoewel men zou kunnen tegenwerpen dat Couperus zijn therapie ook kan hebben 'opgesnoven', daar deze in die tijd 'in de lucht hing' en dus tot ieders intellectuele bagage kon behoren, zal ik mij daarvan pas laten overtuigen door citaten uit publicaties in kranten en tijdschriften. Mijn artikel beoogt nu juist de jacht op zulk materiaal te openen. Anderzijds kan juist een populariserend artikel als dat van Van Eeden mijns inziens heel goed tot het 'Bildungsgut' van de geïnteresseerde leek hebben behoord - zeker als die leek net als Couperus een Tachtiger was.


10. Bernheim verzette zich vooral tegen de magnetiseurs (Mesmeristen), die meenden dat de krachten die genezing veroorzaken van buiten de patiënt komen. Liébault, stelt hij op p. 302, gebruikte de hypnose, die een "speciale psychische receptiviteit" schept, om het idee van de genezing in de hersens van de patiënt te doen binnendringen, zodanig dat die hersens worden uitgenodigd om te doen wat ze kunnen om het geaccepteerde idee in werkelijkheid om te zetten. In het (door Van Eeden dus verworpen) somnambulisme verkrijgt, zegt hij op p. 307, de suggestie zijn maximale rendement.


11. Beide romans door houden vorstelijke personen zich op, dat wil zeggen doen zij zich anders voor dan zij innerlijk zijn, houden ze de schijn op en voelen ze zich verplicht te 'representeren'. In het latere antieke werk, maar ook elders bij Couperus, wordt in het dilemma schijn-zijn de voorkeur gegeven aan het laatste.


12. Pas aan het eind van Wereldvrede ziet Barzia in dat rust voor zijn patiënt niet de juiste remedie is (p.655).


13. Niet aan seksuele potentie, dat blijkt voldoende in zijn relatie met de hertogin, een courtisane die hem, geheel "traditioneel", inwijdt in de geheimen van de "passie" (logisch dat zij, van zijn moeders leeftijd immers, hem niet lang kan boeien), en ook uit het feit dat hij tussen Majesteit en Wereldvrede een kind verwekt.

   Zijn zwakte is weglopen voor het idee van machtsuitoefening, een idee dat hem verplettert met een centenaarslast (passim). Hoeveel zwaarder is die last niet dan de taak waarvoor Valéries geliefde Von Lowe-Obkowitz wegloopt naar een actrice en uiteindelijk de dood

kiest. Dat laatste doet uiteindelijk Othomar evenmin als, in haar liefdesverdriet om prins Lohe, zijn aanstaande echtgenote Valérie, maar het is bij beiden kantje-boord.


14. En een argument voor mijn 'naturalistische' leeswijze ook van deze romans. Waar kunnen naturalistische schrijvers met meer kans op succes hun 'determinerende factoren' zoeken en vinden dan in de eigentijdse wetenschap?


15. Elders in Majesteit worden andere eigenschappen als erfelijk voorgesteld: b.v. het liefhebben van marineplichten (p.366) en de jaloezie van de jonge broer (p.425).


16. Het is mij in deze speurtocht naar 19de-eeuwse opvattingen niet begonnen om 'de' erfelijkheidsleer in het algemeen, maar om heel specifieke (nu door niemand meer verdedigde) vormen van erfelijkheid, die voor Couperus nog heel gewoon konden zijn. Vervreemding is in het algemeen nuttig voor historisch lezen en, in dit geval, om Couperus' op het eerste gezicht in onze ogen wellicht wat mystieke opvattingen van het koningschap tot in zijn tijd gebruikelijke wetenschappelijke meningen te herleiden.


17. Direct vóór deze passage spreekt Schopenhauer zich uit tegen Anarchie (met republiek in verband gebracht), Despotie (voorkomend in monarchieën) en 'Herrschaft der Faktionen' (volgens hem inherent aan de 'verzonnen middenweg' van de constitutionele monarchie).