Terug naar hoofdpagina

 

Noot vooraf:

 

De Amerikaanse dichter Jack Spicer leefde van 1925 tot 1965. Jacques Schmitz, dichter, vertaler en oud-journalist, woont en werkt in Berlijn. Ons gezamenlijk project is een 'voortzetting' van Spicers werk, met name diens methode.

 

In september 2017 verschijnt De Oceaan van Spicer, Schmitz en mijzelf als E-book, typografisch verzorgd door Maarten Schmitz .

 

In de volgende vijftien teksten is soms de invloed van Spicer merkbaar.

 

VIJFTIEN GEDICHTEN 2017

 

1.

 

Ho maar, geen tekens

schreef ik in een ver verleden, nu -

al Lorca -Spicerend, Garcia, Jack en Jacques,

staan we nogmaals aan de zee

van onbegrijpelijkheid.

 

Overwinteren tot we

als het meisje van Andersen

bij het licht van haar laatste zwavelstokje

het einde

vriesklaar

zien (zullen zien) naderen.

 

Altijd blind omringd

altijd te midden van

als kogels verschietende

ogenblikken.

 

2.

 

Vertel me, dichter

 

Vertel me, dichter, over de Mexicaanse hond

die signalen uit een duister heelal

met haar fluitende gil overstemde. Zelf

had ze niets te melden, de ruis

vormde zich tot niet te ontcijferen

Boodschap - wat moeten wij

met zo’n verwrongen trans-

missie van kristallen en failliete buizen, de

gelijkrichter schiet vonken door mijn hoofd

en niets,

niets dringt tot mij door

van het engelenkoor

Jezus is vergeefs geboren, het kruis

muteert tot kerstboom, moeder Isis-Maria

ziet wantrouwig toe hoe Osiris

sterft en wordt wedergeboren

van lijk tot Lazarus tot embleem op de mouw

van de Tempelier.

O Jacob S. laat

de fantamythologie maar varen, wenden we ons

tot de poëzie van de wanhoop, de

gil van de vertwijfeling, de o zo

beperkte mogelijkheden van de

aardse liefde.

 

3.

 

Hokusai zet de trend voor een nieuwe golf

Geen rolprent zonder

onnoemelijk verkeerd-om

 

Vrouwen die zich links-rechts invert bewonderen

zich afvallen

zich verschminken

 

Alice, wat deed je met je zusters

toen je erin trapte stapte?

 

Was de sneeuwwitte appel

het appeltje van hoe-heet-ie-ook-weer

 

Was de sneeuwwitte appel

niet waarschuwing genoeg tegen het gif

de abjecte abstractie, het aftrekken

van de zoete

verrukkelijke

boosaardige en onomkeerbare

Werkelijkheid?

                           

(laat het ding-dichten maar aan Rilke over)

4.

 

Anoniem, 14e eeuw

 

                                                                 Voor Jack Spicer  

 

 

Helemaal zelf

becockstoofd, een drupje

van het Heilig Zaad (Bloed)

in droge voor (of achter) -

machteloze Koning, wie,

o wie, Guenevere,

baart dikbuikig

de toekomst van het Keltisch Ras, nu het Zwaard

onwrikbaar priemt in Arthurs Steen?

 

Geen lente voor dat oud geslacht

ook zonder lans of Kruis verkracht

 

Kom ridders, kom,

bevrijdt de Britse Ronde

van zinneloos gedonder

Komt, en gaat heen!

 

5.

                                                                

 

 

Boven zee zweeft

aan een bruine paraplu

de rieten mand van de bollenkweker

 

Zwaai, Zwaai naar de gelukkige

parapluvaarders, voortzeilend

over het eeuwig rollend schuim van de Dood

 

Wie of wat ze ook waren -

ze moesten het zonder bodem stellen

de spankracht der Poëzie alleen

liet hun mand nog even

zweven.                                                        

 

6.

 

                                                                 Voor Jacques (co-poeta)                                     

 

Toen het Graalslot

onze Vaste Burcht

compleet met bloed, zweet en tranen

in zee dreigde te verzinken

bloosde het wijwater even

in de kerkportalen

 

De heilige ster verschoot,

riep ‘Jessie, jesses!’

en verdween met een gil

in het Zwarte

Gat

 

7.

 

 

 

We hadden in de klas

Een jongen met tieten

P.B. geheten - niet dé PB, hoor!

En die kon vreselijk stinken (broekhoest)

 

Toch was ik op mijn elfde

Wel een beetje jaloers op hem -

Met zijn tieten en tepels

Was hij ons allen de baas -

Hij leek me van alle markten thuis

 

Later zag ik in het Louvre

Het beeld van Dionysos

Met dezelfde opmerkelijke uitrusting

Zijn markt was de Griekse Oudheid

Apollo zijn antagonist

 

Nietzsche bleek zijn profeet

De wilde snordragende denker

 

Of ook hij zo weerzinwekkend kon stinken

(Nietzsche dan wel Dionysos)

Is mij tot de dag van vandaag onbekend

Ik moet het doen

Met die snor en Dionysos’ betepelde tieten

Onbruikbaar helaas na het baren

Onvruchtbaar het kleine geslacht

 

8.

 

Het Mama-Papa schiep de mens

naar eigen beeld en gelijkenis, dubbel

schiep Het haar-hem:

 

Veel Geest met een beetje Verstand

 

Wel een leuke gedachte van die gnostici

verjaagd naar de onvruchtbare woestijn

en door kuisheid uitgestorven

 

De kerk van Jezus had aan voortplanting geen behoefte

vrouwen werden geweerd

het einde der tijden moest (gauw, gauw)

het einde der mensheid zijn

 

Raadsel: waarom dan

waren abortus, zelfmoord, kapotjes

taboe?

 

Stop de lust, red het bestel!

 

Maar Sophia

de Heilige Geest

zou zich wreken

voor het te laat was.

 

9.  

 

Toen hij oud was

en wijs was

waste hij zijn handen

   - in onschuld en water -

en stierf, zich nog even

bewust van het wegsijpelend leven

 

(Toen hij wijs was

en oud)

 

De as smeulde na, wat botjes

 - later voer voor archeologen -

vormden bleekwit

een flauwe ellips

 

10.

 

 

Jugendzeit

 

                                                                 1935-45

geboren ben ik

in jaar 2 van zijn 1000

 

kristal kletterde

op mijn derde

 

net vijf

kwamen ze binnen stampen

 

auf der heide steht

ein kleines blumelein

und das heisst

erika

 

amersfoort had zijn koppelpoort

waar de sint jaar-in jaar-uit

uit francospanje arriveerde

 

klaas was een heilige bisschop

in een jurk, met een staf en een mijter op zijn kop

 

dolf was rooms als ik

(jezus geen jood?)

 

als kind aten hij en ik

onze ouwelgod van graan

 

amersfoort had zijn kamp

durchgang naar de dood

 

op mijn tiende huwde hij eindelijk zijn eva

met een kogel in de loop

 

auch ich

hab all dies

nicht gewusst

 

11.

 

Logic, my dear Watson

is the gist of poetry, even

the absurd should be valid

in the poet’s mind

 

Let my only poetical crime

be the suspension of disbelief

preached by this fellow Coleridge

moving the Art to unexpected heights

in his age of sewing machines

 

Ours is again a time

of making reality virtual

of eye-glasses producing

a world of denial

a paradise with homely

word-castles to live in

 

12.

 

In zijn agenda

liet hij de doodsdag gemakshalve open

 

wat vreemd

(vond hij)

om er ooit niet meer te zijn

(er geweest te zijn)

 

een trage tocht

(dat wegsterven)

naar het niets naar het nergens

met achterlating

van een hoopje as

 

daarin had meneer pastoor toch wel gelijk:

‘as zijt gij

en tot as zult gij wederkeren’

 

al wordt het wel

een hoopje zonder hoop

weldra verwaaiend

in de hollandse wind

 

troost vind je tot die donkere dag -

alles is er

tot het licht dooft

 

13.

 

De angsthaas

 

Ik heb niets met dieren

en niets met planten

niets met de natuur

 

Met dieren

heb ik te veel gemeen

planten zijn te vaak kasplantjes

dementie lokt mij niet

 

Dieren zijn vaak beesten

planten geraniums om achter te zitten

ik zit achter de PC

met zijn kloppend hart van poëzie

 

Ook het titeldier

ontwijk ik liefst

vlucht naar mijn tablet

desnoods mobiel

 

Wij zijn modern

bevingeren het toetsenbord

draaien ons om op het kussen

en slapen bevredigd in

 

Dan komt de angsthaas

kijkt om de hoek

maakt ons aan het schrikken

en verdwijnt in de droomnacht

 

14.

 

Er was niets

er kwam niets

het was de donkere nacht van de ziel

Jan van het kruis keek

meewarig maar ook, leek mij, geamuseerd

over mijn schouder mee naar het engelblanke papier

waarop ik met liniaal

hemelsblauwe lijntjes getrokken had

 

wie niet gelooft

gelooft niet in zichzelf

gelooft niet in wat overduidelijk

bij heldere hemel

uit het firmament komt vallen

hij weet

dat niets van genoeg belang is om

tussen blauwe lijntjes

als waarheid te noteren

 

niets is

niets komt

in de donkere nacht van de ziel

 

 

15. Memento

 

                                                                                                           O mens, wankel op de top van de ladder

 

Chantek kende honderdvijftig mensentekens

was een verlegen orang-oetan

thuis in onze wereld, en toch

aap als wij vanbinnen

nooit vrij in wat we met frisse tegenzin

natuur noemen

geboren en getogen

in onze gemeenschap

thuis bij vriendelijke professoren, maar

niet onsterfelijker dan zij

 

Hij werd negenendertig

driemaal dertien

erkend, herkend

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar hoofdpagina

 

 

Eerdere collectie:

 

HONDERDVIJFTIG GEDICHTEN

 

Een keuze uit deze gedichten is door uitgeverij De Vrije Vogel, onder redactie van Arie de Ru, gepubliceerd in twee bundels:

Narcissus, Leiden 1977 (verzorgd door Vincent van der Linden en gedrukt door Piet Ordeman, met een Nawoord van Harry Scholten),

en:

Ho maar! Geen tekens, Leiden 1991 (in opdracht van De Vrije Vogel gedrukt op de pers van De Uitvreter van Kees Thomassen).

 

Klik hier voor de presentatie door het redactiecomité van De Vrije Vogel: Boven van links naar rechts Kees Snoek, Arie de Ru en August-Hans den Boef; vooraan drukker Kees Thomassen en ik.

 


08 07 1953



Ik loop door een straat

met bomen in een tegelwit trottoir

alle huizen lijken op elkaar

de zon brandt wie ertussen gaat


Ik vind geen einde waar ik einde raad

de tegels klinken luid, mijn benen wegen zwaar

van steen op steen stap ik - een wandelaar

de straat rekt zich in onbevangen maat


De lucht blinkt wit, blinkt zilver als koud vuur

zilver als dat zit in koud azuur

dan sta ik voor een glazen muur

waardoor ik - bleker- naar de verte tuur



15 11 1953



Waal

virginaal, die nevel om

je blauwe leden;

de zee, je gemaal

waarin je, overgave, leeg vloeit

vloeibaar vol vloeiend; kaal

de oevers

waar je koel ligt ingebed


De zomerzon maakt heet je

koele leden, naakt

braad je, tot wellust toe

bedwelmd; wolkjes dekken

verend toe je stromend lijf


De winter maakt weer virginaal -

kaal je oevers, grasgroen zuiver

gestrekt kanaalrecht, uitgedrukt

verlangen: Waal



21 12 1953



De trein van alledag

rijdt over rails van gister

naar station van morgen en

het davert in mij rond

tand en rad en ingewand -

de trein stopt bij station

de dood pas bij de dood pas



? 01 1954



Het donker heeft de zon vervangen

door een vreemde sfeer bevangen

schuif ik bang het venster dicht


Er komt geen eind aan mijn verlangen

als duister drukt het aan mijn wangen

mijn ogen schitteren van vreemd licht



? 02 1954



Je handen schilderden fijn porselein

Bevallige, tere figuren

groeiden onder het glanzend penseel


Dan legde je moe het vaasje neer

als meeuwen rustten je handen

je groengrijze ogen keken naar de azuren

hemel, wie zag hoe je weende?


De sierpalm in de hoek van het vertrek

boog met een groen blad, voorzichtig

over je heen, streek de heldere traan

weg uit je wimper


Toen zag je blij de dingen aan

streelde de kunstbloem, die trillend bewoog

je blik scheerde licht langs de hemel



01 03 1954



De zee baant zich, ver buiten zicht

deinend, gehuld neveldicht

een weg door mijn starende blik


De mist drijft me weg waar ik zit

bevangt me, maakt me licht

ik zweef als een schim op zee


Mijn ik gaat lager (ik zink)

leger doorvloeiend de zee


Nu sluit zich mijn wondere blik



? 05 1954

 

 

De zon speelt mild met laatste stralen

het strand blinkt na

 

Daar loopt met losse haren

onbezonnen, zonder bezwaren

een meisje naakt naar zee

 

Het jonge lijf in lenigheid gebogen

vlug voetenreppend over het zand

draalt ze geen tel als het water op komt zetten

maar springt, en plonst, zich gevend, van het strand


 

27 05 1954

 

 

De zon schijnt

de mist verdwijnt

 

Witte wolken verschijnen

de zon gloort rondom

kolkt over koren

 

De zon heeft gesponnen

het gonst in het koren

bijen volgen de schijn van de zon


 

01 06 1954

 

 

Door de diepzee, teergestreken

speelt je kleine hand piano

door me strijkt zoelzacht de stroom

 

Het zwart van je ogen zindert je ziel

droef gaat je hand door de zee



06 08 1954

 

 

Mijn zeeverlangen zweeft

als een regenboog veelkleurig

door de zon gewekt

 

Tussen de maanmist en mijn koude adem

klopt het hart, het wereldmoederhart

zijn grenzen te buiten

 

Alle vrienden van de eenhoorn zoeken

zomerbloemen, verend in de nachtwind



? 10 1955

 

 

Stille witte morgen

witte dichtgemiste morgen

bleke bloemen in de morgen

kommer en zorgen in

de witte mistmorgen


 

13 12 1956

 

 

We zagen hoe de boom zijn blaren

langzaam naar de grond liet zinken

het was het laatste dat we samen zagen

 

Ook zag ik bij ontstentenis van deze

de kist ten grave dalen



23 10 1957

 

 

We schrijven elkaar machinaal

modewoorden en handtekens toe

op bergen en boortorens

in oorlog bij zuidenwind

 

Rateltaal

 

Anderzijds

tegenweer uit liefde

haat als gebedsmolens

 

In de orde der uren

ligt de nietigheid gewaarborgd


 

06 11 1957

 

 

Water drogbeeld voor dodewater

beslist en besloten, sluit alle posten

kap alle masten, berg vijandschap

in een gouden doos voor later, luister

naar de bazuin stilzwijgend


 

13 11 1957

 

 

Onlust

weke kanker

 

Aan de horizon hangt mijn gedachte

krimpend rolt zij in de kuil

bij de goede moeder aarde

 

Kanonnen schieten wortel op de bergkam


 

18 11 1957

 

 

Spannend

spasmatisch

in orgasmen sierlijk

rolt ongehoord, onhoorbaar

taal tonggesneden, worteltaal

besnedenen slechts wondertaal


 

21 11 1957

 

 

Van de hoogste toren blazend

opstulpend zaad

 

Strevend kiemgetal, aangeslagen

op de draaischijf van het verlangen

 

Geen minuut te vroeg

geen seconde te laat

precies 4 uur 3 in de morgen

 

Om de vuurkolom

geraas van groeien


 

16 12 1957

 

 

Open

in de zijde van de lente

in de lende van de winter

in de askant van de herfst

snel

de wonde als een bominslag geslagen

 

Open

in de glaskant van de aarde

in de bloedkant van de moeder

in de dierkant van het meisje

snel

de wonde

 

Open

aan de binnenkant van de pijn

aan de schrijnkant van de liefde

aan de hartzij van het verraad

snel

de wonde


 

19 12 1957

 

 

Aan de borst van de aarde

vierkant

diagonaal besneden

 

Op het scherp van de snede

 

In de zuiging van de schede

 

Door de wellust van het water


 

25 12 1957

 

 

Na de voortijd

voor de natijd

in de luchtzak van het leven

vrij

vergankelijk

 

Breed

viervoetig

iel

luchthartig

 

Stilbewogen


 

20 01 1958

 

 

Dood, mij verschrik je niet

ik draag een modieuze boetepij

rook sigaretten, leef

vrij, alle gif ten spijt

 

In de nieuwe stad

zal alles beschilderd zijn

 

Overal dood aan de wand om

de neergang te verbloemen

maskers in angst gebeten

 

Al spelend verbrijzeld doodslicht

feest van leegte in leegte

 

De angst, die schertsend het deksel sluit

springt in verrukking om, gejuich

in het koelmoordend land der tijd

 

Matig met het dodenmaal

morgen is nademaal, en ook de tijd

slaat om in eeuwigheid


 

27 08 1958

 

 

Deuren

met je schaduw te donker

 

Valluiken die de zon

ijlings, ijlings verzinken

 

Adembenemend doorwoelen handen

pijlsnel de onverbonden

vingerdiepe wonde


 

28 08 1958

 

 

De paleistrap

maagdelijk

klimt de prins

 

Trommelvlies hoornvlies buikvlies

roffelen ter bruiloft

 

Schoten weergalmen als hij

glimlach tussen de tanden

dringt binnen de hof


 

31 12 1958

 

 

In de stroopgoot opgeduwd

meegezogen

 

Zuiging die ons

met een arm van achter

omvat houdt, tatoeëert

wingerd verstikkend

 

Tijd die bruist onder de wielen

waar wij in duizeling sneller

sneller

 

Tot wij doodziek aan de rand staan


 

13 02 1959

 

 

Ontbind twee in een

ontleen aan samenzijn

de ongeboren eenheid

herspin het web


 

20 02 1959

 

 

De mist zakt naar de rivier

 

(Hoor je de antifoon?

er is er geen

hoorbaar)

 

Zakt naar de rivier

etherisch in het verweerde licht

zakt weg in het water

 

(Hoor je de antifoon

van het licht?)


 

24 03 1959

 

 

Wij, van dood bezeten

in één golf begrepen

 

Jij, vreemde

opgedoken

neergezonken

 

O raadsel der beroering

droomveder

 

In vervoering opgestoten


 

13 04 1959

 

 

De nachtegaal zingt in zijn kooi

de ogen geschroeid met houtskool

 

Waarom huilen als leven geen zin toont

hoor, het is zich genoeg

eeuwen bewijst het zich

woordeloos plant het zich voort


 

29 04 1959

 

Wie bleef er

nadat allen gegaan waren

het park gesloten?

 

Wie de stilte bemint

heeft de eenzaamheid lief

de wind streelt zijn gelaat

als een vrouw

 

Wie sloot de poort

toen je alleen wilde zijn?

 

Je rechter

aarzelde met het gif

je linker

aarzelde met het water

je mond aarzelde

omdat het vroeg in de morgen was

 

De boom

sliep en hield zijn blaren in


 

19 05 1959

 

 

Kurk zegt de boom

bloed zegt het koren

melk zegt het kind

 

Dan wordt het de nacht de baas

en speelt schalmei in het duister

 

Water

golft licht doorzichtig

als melk troebel

als ijs

 

Het kind

staat boven het glas met lege ogen

tolt

in licht-lucht-ledig

 

Toe maar

wees geduldig

als het papier geduldig


 

19 05 1959

 

 

Vogels in de bossen

zeggen de lente aan

 

Voor wie neerzit klinkt hun roep uit de diepte

 

Klinkt hoog de roep van

 

Klinkt al verder


 

20 05 1959

 

 

Vind verlaten het voetpad

volg de moeder op de voet

vrees, fel

uw broeder op de vuist

 

Verdedig het water


 

20 05 1959

 

 

Vlinders staan gedachteloos

op dunne

dunne

 

Maar vliegen vliegen gedurig

cirkelen

omcirkelen

 

Waar je herkent

ben je verloren

 

Verken voorzichtig

het goede en het ware

loop rond de horizon van het gewone

 

Spiegels spiegelen het ware

de dood die wij om niet zo noemen

cirkelt langs balken en gewelven


 

21 05 1959

 

 

Het toonloze

het onzichtbare

het is reukloos

voelt geen vingers

glijdt langs de tong

wekt herinnering noch verlangen

 

Dag dood

hoe gaat het?

er zal geen klok slaan als je onder mijn dak komt

 

Boor je een gat?

hol je een cirkel?

ben je altijd en nog langer afwezig?

 

Ik hoop je nooit te zien

ik zal nooit naar je kijken


 

26 05 1959

 

 

Vóór de vrucht

vallen de bloemen

 

Je bent de mooiste

de sterfelijkste die ik ken

 

Nooit

heb je zo mooi gebloeid


 

01 06 1959

 

 

Hij dronk de laatste wijn

at het laatste brood

omdat zijn vader bisschop was

verslikte hij zich nooit in zijn beeldspraak

 

Hij stond voor de galg

(zweette water en bloed)

de dood kraakte hem

(veel later)

 

Hij beminde zijn moeder

sliep nooit met mannen

kinderen verwekte hij zover we weten nooit

met de naam Villon


 

01 06 1959

 

 

Vondel stopte kousen

Shakespeare speelde toneel

Villon roofde voor de kost

Napoleon ging op een verre reis

Sappho minde seksegenoten

 

De maan was vol toen Jezus werd geboren

die later op een ezel naar de stad reed

een sekte stichtte die naam kreeg in de wereld

en stierf zodat zijn moeder weende

 

Gerrit echter, de schoolmeester

is de grootste sinds eeuwen


 

01 06 1959

 

 

De uitweg

heeft vier regels

kruipt door het gedicht

richt zich vergeefs op


 

01 06 1959

 

 

Het huis ruist

water scheidt slib af

een eiland rijst op uit de diepte

 

Als je een vis vangt

glimlach dan over het water

 

Groen kiemt de boom

met vruchten beladen


 

02 06 1959

 

 

Joost mag weten

wat ons de vrijheid heeft gekost

platzak

de broek vol herinneringen

 

De huizen kraken van grijze steen

de ingang stapt hoog in het donker

 

Hier is de horizon het einde

de bloemen van de liefde

overwoekeren het kerkhof

de nacht is niet te stillen


 

03 06 1959

 

 

De steenkolenvoorraad, zeggen de geleerden

voldoet tot het eind van de eeuw

 

Dan zal atoomenergie

de aarde geleidelijk ontvolken

waarbij de behoefte aan woorden

zienderogen afneemt


 

03 06 1959

 

 

Twee druppels

een voor de winter

een voor de dorst

 

Twee druppels

een voor het vergeten

 

Drie druppels voor later

 

Dan geen druppels meer



04 06 1959

 

 

Van ijzer is de betonmolen

die grijze pap stort over de aarde

gewapend snelt de weg

onder banden van hardrubber

 

Geen juichlied rolt het lint

van vermoeide werkkracht over de wereld

eentonig is de drift van ons bouwen

 

Drink bloed van ginds beest als een belofte

biefstuk staalt de spieren

zwelt de genotsspier

maakt het lichaam spanveer

voor hogere ontmoetingen



06 07 1959

 

 

Haal tussen sellen adem

waar groen water deint

aan diep wier

 

Wees de verdronkene niet dode

met het alziend glazenoog

in de greep van de stroom

 

Zing woordeloos

het ongehoorde


 

06 07 1959

 

 

De wand die als water drukt

het lichaam in de nacht

 

De galei

worstelt stroomopwaarts

scherpt het raakvlak

 

Tot wij spits wenden

onze kielen vol ellende


 

23 11 1959

 

 

Kindlief

we hebben je van zaad en eicel in elkaar gezet

vergeef ons we weten wat we doen

 

Je krijgt een molentje

het ritselt in de wind

een amulet om de hals

- al wat vergeten is bestaat -

tegen de weerwolf


 

23 11 1959

 

 

De angst is een gordijn

ritselend tegen de nacht

ik ben bang als een gordijn

waait in de wind van zee

het is door vingers van achter

die grijpen neergehangen

en wappert tegen onheil

 

je hand is fijn geaderd



23 11 1959

 

 

Langzaam leven likken

zoet schuim met bittere nasmaak

water dat gif wordt

dag die zich verstikt

 

Een handgreep

de tijd omschroeven

rechtop stijf doorwandelen


 

28 11 1959

 

 

Onbereikbaar voor mijzelf

lig ik in een jas van dromen

 

Er zijn er die misschien

mét mij zullen ontwaken


 

29 11 1959

 

 

Te midden van wat vloeit

groeien even vormen, beelden

 

De gaskraan, een werpsteen

maar ook de vijand

zijn om beurten de angst van het kind

 

Zo leert het

hoe sterk het kan zijn en hoe zwak

zoekt zich wapens

geweren, handgranaten

gasmaskers

tanks


 

28 12 1959

 

 

Als, ontwakend

ik mij omdraai, schrik van de schemer

stapt zonder omzien

het kuiken van mijn bewustzijn

de dag binnen



29 12 1959

 

 

Hij wordt de dupe

die de pen tegen het leven heeft opgenomen

en zal op den duur

zichzelf raken


 

29 12 1959

 

 

Ik had een brandweerauto toen ik vier was

die als sneeuw voor de zon is verdwenen



31 12 1959

 

 

Niets blijvends

verval beitelen

in woorden van steen

 

Ivoren tanden malen langzaam

ook het gruis tot poeder


 

17 04 1960

 

 

Gedicht dat spruit uit de woorden van de taal

huizen bouwt in het landschap van de geest

(gebouwen de gedichten van het lichaam)

 

In een gat in de grond

begraaf ik mijn uitwerpselen

 

Nu komt in dit huis deze vrouw

op mijn bed van gras en blaren

ligt en staart naar het plafond


 

12 10 1960

 

 

Hier heerst de onmerkbare

                                          dichterlijke verminking

leven zoekt vergeefs

                                          kraters

grün grün marcheert de jager door

het schril concert der alpen

in kraters onvindbaar ruist plotseling

                                                         water



12 10 1960

 

 

Wandelen gingen wij samen

door bergen en dalen, huizen en tuinen

nooit werd ik naast jou

verlangen of heimwee gewaar

je hield me tenslotte wurgend in je greep

tijd



22 09 1961

 

 

Waait en verwoest

de vreemde wind van het zuiden

 

Verweerd aan lijzijde groeit

van scheuren, scherven en rafels

het landschap

 

Grenzeloos woedt

de rijkdom der ontwrichting

 

Netels en doornen

drogen, verstoffen

 

Puur brandt

- niets dan vuur -

in die dorte de zon



? 08 1962

 

 

Niets dan goeds voor de verrader

wie de leugen eert is de kunst na

wankelt van been op been

reist tussen ja en nee

 

Hem wacht de galg niet, de stoel

men verdrinkt hem niet aan een steen

de verrader zit op satijn

schudt een gouden hand



? 08 1962

 

 

Geef het kind

hebzucht in de voegen

vul kier en reet

met afgunst geduldig

vecht voor een nieuwe

wrekende generatie

 

Geluk is te koop

geld is te geef

treedt binnen in het walhalla

der goede voorouders



? 08 1962

 

 

Aan hen die overwonnen

die de strijd ten einde streden

aan hen die het opgaven

bleven steken of doodvroren:

 

Niemand, ooit, keert weer

bomen worden niet grijzer

al evenmin groener dan vroeger

de zege niet doet ze bloeien

verliezen laat ze niet sterven

 

Onder het lover weer kinderen

de cirkel raakt nooit gesloten

ook onze vaderen dreven

als kurk in hetzelfde water



07 10 1962

 

 

Zet de vingers voorzichtig

één voor één op dit verraderlijk instrument

laat machinepistolen knetteren

traag als vogels in een

overigens muisstil bos

vang de vage geluiden

van regen tokkelend op rozen

de mistige adem van parken

het reebruin in de ogen van herten

en vergeet niet

de muziek van de onsterfelijk zieke

op straat ineengezakte bedelaar -

in zijn adem leeft

romantiek van de oude stempel



07 10 1962

 

 

Wijs zijn:

boeren die de koe opvoeren

fokkers die de hen

tot eierleggen inspireren

ook de mens zullen zij

tot topprestaties stimuleren



28 11 1962

 

 

Korzelig groeten de buren

mijn verheerlijkt lichaam

ik was het die volhield

toen zij ijlings bezweken

ik ontkwam door papavervelden

naar een loodrecht paradijs

het ontwaken vierend

met stemmen vol boventonen

scherp in de flank der gekooiden



28 11 1962

 

 

Kinderen glimlachen

als hun vader opstaat en zegt:

dit is de sublieme

de laatste zin van het leven

waarna hij zijn pistool pakt

en zijn raap neemt tot doelwit

 

Kinderen glimlachen

als hun moeder neerzit en zegt:

dit is de laatste

de sublieme zin van de moederziel

van de moederziel allene

en bindt de waarheid de keel toe

 

Het kind alleen

lacht over graven van harte



26 02 1964

 

 

In welke woede hij zijn banden brak

vertrouwde bindingen verscheurde

en wachtte

de adem van lijfs opening vergeten

gericht als een pylon ten hemel

woordeloos het einde



13 03 1964

 

 

Het diepst in de put -

op het donkerste water

bouwt hij zich een spiegel

weet hoe hij te kort schiet

 

Dan boort hij zonder omzien

een gaatje in zijn borstkas

opent met de wildschaar

de deksel van de leefdoos

 

Waarna de inhoud wegvloeit

zes liter in de grondzee


 

13 06 1964

 

 

Speelt in Sistina

het oordeel van de ikgod

dan spreekt die bruine dictator:

 

Wet is mijn wil mijn inval

geveld ligt het veil moment

 

Rome, puur nu, puur hier

alles ter plaatse voor anker



17 07 1964

 

 

Kan het hem schelen

is het zijn schuld

weerloos maar zeer lief

ligt hij in de adem van de wind

onder een zon die vergetelheid schenkt

 

Hield het hem vast

als hij zich ademloos voorthaastte door de stroom

hield het hem vast

als hij hoorde zingen op de oever?

Hij kijkt nooit om

werpt geen blik terzijde nee

houdt de ogen dicht en geniet

van het water om dij en borst

hals en kroeshaar

 

Lang liet hij zich wiegen

op de leegte van de stroom

verzweeg wie hij was

waarheen hij werd gedragen

hij had genoeg aan het

altijd-maar-stromen van het water

om zijn slank lichaam


 

09 09 1964

 

 

Veel woorden heb ik niet

voor het grijpen

en zelfs dat is dubbel

 

Tussen ons is weinig

adem bouwt een brug

van huid naar haar

 

Tot ook die breekt

door de hitte gespleten



12 09 1964

 

 

In de kamers van de droom

binnen de wanden van de slaap

speelden wij het speciale vlechtspel

verrichtten het bijzondere vlechtwerk

 

in die ruimte was alles strengelen

alles in elkaar grijpen wat te doen viel

 

er was geen tijd

er was geen tijd voor omwegen

het rechtstreekse alleen vond genade:

 

zich geven in de handen van

wijken voor de wensen van

meedraven in het gareel van



13 09 1964

 

 

De vogels klinken vreemd

aan de oever van de morgen

het bleke licht gezeefd

de bomen vertakken zich fijner

 

Wandelaar

wat is de doorwaakte nacht

dan een droom tussen spiegels?

 

Zijn gezicht is vergaan

vervaagd na een nacht in september



25 09 1964

 

 

Ik strijd tegen korzels

het vijlsel in de zielsmachine

langzaam vreet het mijn denken aan

 

Zelfs de kogel van de slaap

verliest zijn gewende zwaarte

vervluchtigt op een droomgolf

 

Als ballon zonder ballast

verzweef ik in dit landschap

dat kronkelt bij mijn doortocht


 

01 06 1965


 

 

Dossiers vol dromen

dromen vol dossiers

 

Kinderen, ontwaakt aan droomzijde!

 

O kamer waaruit ik ontsnapte

kamer die mij ontsnapte

 

Waar is de lift

het zalige zinken

waar sprookjesland waar

werkelijkheids reservoir



17 12 1968

 

 

In dit harnas dat ik omhang

met dit masker dat ik opzet

sluit ik de sluis van mijn geweten

vaardig, en de waterstanden

zo rustgevend in de morgen

zakken langzaam en ontbloten

alle gruwels voor mijn ogen

er is geen duif, alleen de doden

onder het zand van de eerste aarde

ze zwijgen voorgoed over wat ze begrepen

toen het water kwam



? ? 1969

 

 

Een diertje is de mens

op zijn fietsje rijdt hij

door de straatjes naar zijn flatje

 

Sterft hij dan is hij dood



? ? 1969

 

 

Dichters - machteloze madonna's

letterknechten die letterknechting

ontvluchten naar

de schuilhoeken van de taal

 

Dieper nu landinwaarts

maagdelijk op hun ezeltje

gekneld in de armen het

vleesgeworden woord



? ? 1969

 

 

Geschonden door de lepra van de liefde

liep ik de dood in en verloren

 

De rotting eens tot staan gekomen

verdroogden een voor een mijn wonden

 

Hoe oud ben ik

hoe linnen strook omwonden

nu je me terugvindt in je droom?


 

? ? 1969

 

 

Wie is meer dan hij maakt?

wie maakt meer dan hij leeft?

wie leeft meer dan hij sterft?



? ? 1969

 

 

De rivier is verzonken

gaten die ik boor, putten die ik sla:

o breng mij het naamloos water

waar ik leef op mijn vulkaan - monddood



? ? 1969

 

 

Alle goden slapen

achter hun stenen ogen

alleen Persephone

van dood en nachtelijk duister

heeft een oogje open

haar mond

trots, minachtend

is die van Hera

Meleager, Apollo

en alle andere Grieken

in het Romeins museum



? ? 1969

 

 

I

 

Zwarte vrouwen

hoedsters van vogels

 

hoeden met randen

grafdiepe ogen

 

II

 

Rond de tenten

vliegen de vliegen

 

op het zandstrand

kruipen de kevers

 

de weg daartussen

van nergens naar nergens

 

III

 

Zij die verborgen

slaapt in haar zetel

 

rust in de stad

zon op de transen

 

over de heuvels

vliegen de vogels



? ? 1969

 

 

De wind wiegt de gondels

geklapper van duiven

 

Canaletto, Tintoretto

strooi wat stilte

voor San Marco

 

Wees mooi en zwijg

praatziek Venetië



? ? 1969

 

 

Dit is het opschrijfboek dat de minuten telt

landschappen groeien zo lang-

zaam dat ze gelijk blijven

en onder alles dezelfde

vormen van verval



? ? 1969

 

 

Zacht zijn je papieren handen

in dit nest van woorden

ik de spreker, verwekker

jij het willige woordwijfje

in mijn web van dromen



? ? 1969

 

 

Een tent zal ik je bouwen

die het licht filtert

 

Dromen zul je

van morgen tot avond

 

Veilig ben je

tot de nacht valt



? ? 1969

 

 

Mantel na mantel

ontmantelen

tot niets blijft

een sluier het vlees



? ? 1969

 

 

Van het wachten krijg ik

eelt op mijn geduld



? ? 1969

 

 

Zoals de Egyptische schrijver in

kleermakerszit stilblijft in

steen en zijn wastablet steeds

dezelfde tekens vertoont

zo zit hier ook ik als

een lotus op tafel en

voel mij langzaam

verdwijnen



? ? 1969

 

 

Wat is het

dat geen naam mag hebben?

 

Ik houd het erop dat

het afwezige in de dingen dringt

 

Dit huis een bolwerk

 

Woorden drijven mij

tot razernij



? ? 1970

 

 

Toen ik je vond sliep je

niet veel doodser maar al

ver van de wereld

 

Nu

in de papieren zak

snel stijver

 

Je was geboren en

stierf dus

een grijs streepje



30 05 1971

 

 

Wacht: op mijn wenk niet

begint het; langs de roe

ritselen gordijnen, zij verschijnt

groot naakt, vol

billen en borsten, lokt

onwetend, haar haren die

waaien als het ware



29 08 1971

 

 

Luister, luchtig kwetteren vogels

en de wind ruist hoge bomen

 

Voel hoe vriendelijk, kind

op de arm, zij

zwaait



29 08 1971

 

 

Dit was het laatste van de boze dingen

de stad brandt

 

Ik pluk verward de dotterbloemen

 

Ik graaf een doolhof in de hooiberg gangen, zij

wacht

 

Weer streel ik dij-

benen, stop, de

lust tart

 

Welig vlees maar geen omhel-

zingen, ver-

boden toe-

gang

 

Dit is de zomer van de wel-

vingen



29 08 1971

 

 

Donker gloeit het bloed in de krochten

wist je hoe het bloed zich roerde?

 

Dromen vloeien, wit

steekt de maagd haar kop in ’t koren

o reus! Bevend barst de hemel

wolken slierten de nacht door

 

Hoe zacht zijn de lijnen van dit

vreselijk mechaniek



31 08 1971

 

 

Hier

zweven de beelden

 

Ogen van doden van

achter het leven

 

Zag je hoe even

de beelden verstilden?



 31 08 1971

 

 

Er is ook aan de lucht een blauwe zee

een witte kust van wolken voor wie waakt

spreek zacht. de kust

drijft lager drijft de zee dicht

 

In antwoord treedt de horizon haar tegen

ontwijkend steeds, in ronde bogen

uitdeinend aan de rand, omringt met bomen

de groene velden en het vee



15 09 1972

 

 

Blind van drank

door een verdraaglijk vlies mijzelf

de wereld

 

De ronding van de aardbol ondermijnend sla ik

uit het lood munt

wroet

tot gang na gang volstort

optrekt rond Eden

de valse nevel van het heden

 

Navel o naainavel o

zaadnavel van het verleden

boor, toe boor nu

 

Blind van drank

in het verdraaglijk vlies mijzelf

mijn wereld



13 11 1972

 

 

Amazone

 

lief is niets aan haar

biceps als een bokser

sterk samen (dat wel)

 

dauw tussen dijen

warm het hart van de roos

 

hard weer haar omarming

in de strijd zij aan zij



21 11 1972

 

 

Lopend tussen dromen

valt landschap in mij open

 

Leem, grot, water

in deining onder aarde

 

Het onbekend skelet

aan hals en voet geketend

 

De hand tot pulp geknepen

holten leeggelepeld

 

Slakkenslijm trekt sporen

spinrag houdt omsloten



12 12 1972

 

 

Vannacht volbracht ik traag

een kleine taak

de vlinder te vangen die

uit mijn droom vloog

 

Volgende opdracht

voor mijn bazen

bellen blazen



17 12 1972

 

I

 

Uitputting in zicht zoekt hij rust

wandelt het park in

richt de camera

schiet

neemt gelach waar

ziet zijn pad gekruist door een oud heks

verlaat vluchtend de schans

in zijn oor schater en vloek, weg

bij het ommuurd geheim, angst

vriest het merg stijf, scherp

zigzag tegen kogels, schichtig

doorwadend het sneeuwvlak

zakt ineen

bij de schuurdeur

sterft

schiet nog eens

sterft

is dood nu

rust

 

 

II

 

Warempel niet remmen

doorgaan met rennen

vliegen je verheffen

 

Duizend naalden prikken in het universum

dat helder bestèrde universumpje van ons

 

Niets breekt de straalkracht

van waterfijne laserstralen

 

Op de punt van de wijzer

schuif ik naar stilstand

 

Duizend naalden buiten

duizend naalden binnen

dat tintelt

als alle laatste dingen

 

één vraag nog

aan het moede arbeidsvolk:

dromen of brood

slaap of een volle maag?

 

 

III

 

Hersens vol kristalletjes

helder

tinkelend

 

Wie weet waar ik bleef?

Wie heeft mij gevonden?

 

Aan de boom in het bos

hangt de zwerver aan zijn sjaal

vond hij geen rust in het mos?

 

Wie won?

Wie telt zijn winst?

 

Een lettre de cachet

als een pochet uit de vestzak

van de zwerver in de vrieskou



? ? 1973

 

 

Ik gaf je vast

geen lucht genoeg

ik hield je vast

als jij het vroeg

ik heb je nooit

leren verstaan

nu heb ik je

maar laten gaan



? 07 1973

 

 

I

 

Luna

- vol nu zij rond is -

stijgt aan de koepel

die zij deelt met het onweer

 

branding rukt aan schepen voor anker

 

hier zit ik in het zand

met achter mij Toscane

 

links de maan en rechts

il mare mosso

geel licht

druppels op mijn schouder

 

II

 

’s Nachts word ik wakker en

moet pissen in de bosjes

 

Luna, te ver vaak

de bruidssleep op het water

 

het melkwit van haar boezem

uit oude verhalen

 

’s morgens ontwaakt

mijn hoofd op niemands schouder



? 07 1973

 

 

I

 

Een schelp in Siena, vestingmuren, kerken

het hoofd van de heilige, stoffig, achter glas

 

denkend aan Catharina uit de stad verbannen

door de zon van Toscana

als ketter

verbrand

 

en de vinger? de hand?

en de dij van Catharina?

 

II

 

Hannibal kleurt rood het bleekgroen water

 

consul flaminius, op weg

naar de eeuwige jachtvelden, gromt

‘pyrrhus overtrof ik.’

 

niet pegasus, Hannibal

heet mijn paard voor

de poorten van Rome

 

III

 

Franciscus als soldaat

zijn vader verkoopt stoffen

 

gevangen, door de koorts

beneveld en bekeerd

 

Franciscus waar hij met

de vogels leerde praten

(in assisi, wat hij hoorde

over de grote god der vogels)

 

Franciscus, door de zon

verblind, vijfmaal

gewond

 

hier hangt zijn habijt

in de crypt rust zijn gebeente

 

IV

 

De zon zinkt in het land

italië, doorsneden

van pisa tot ancona

 

wie heelt jullie wonden

volterra en assisi?

 

dromend herleven

de steden der etrusken

 

op zoek naar necropolen

door geen romein verstoord

 

huiselijke urnen

geheime rituelen

 

mensenbloed verzekert

de terugkeer der seizoenen



? ? 1974

 

 

Ik weet waar je haren

raak met één vinger

je lippen

 

zeker van de wereld

 

spel over huid

praat je druk

je wereld zeker

 

schaamteloos

langs binnen

 

trilhaartjes

blonde rillingen

 

in één golf

 

kneden

 

ik ken de stralenkrans

iris je blauwe ogen

kijkers even

 

strekken

de wereld zeker dromen

 

de dalen van je adem

 

los weer

 

je haren



? 07 1974

 

 

I

 

Traag trekt gods grote gloeilamp

de sluier van de alpen

mos kale rots en

sneeuw op monte bianco

van waar ik zit te zien

in val d’aosta tussen de pieken

 

tien romeinse legioenen verdronken

als het ronken van camions

in het ruisen van de bergbeek

 

bovenal

dennengeur goedkope shampoo

een ochtendbad van zon

en met dit uitzicht

 

II

 

De boog de brug de dubbele poort

de stratenrechthoek van de castra

augustus, lang nu dood in juli

kan trots zijn op zijn stad Aosta

levend hielden pretorianen

zijn naam zijn pax romana

wie dorsten zijn koren?

wie roeiden zijn galeien?

wie smeedden zijn zwaard?



? ? 1975

 

 

Zonovergoten

het plein voor de tempel

 

Zo slaapt hij en droomt

aan de voet van de zuilen

 

De schim van Agrippa

het spook van de keizer

 

Vroeg, op een kier nog

de koperen deuren

 

Verbluffend de borst

die sluit zonder tepel

 

Water, gevallen

verdampt naar de hemel

 

Christen en koning

ontwijdt de rotonda

 

Slechts Rafaels tombe

houdt stand in de leegte



16 08 1975

 

Zie: veertig zustertjes

verdronken in de sint pieter, elders

stapten eruit, het eeuwig

kraaltjesvingeren moe, hier

zie het beven, wijzen, bidden

tot waar het vrije licht zweeft om de kromme zuilen

 

waar voor het levend oog de heilige bisschop

dood, een netje om de kale kaken

daar helpt geen pietà met jongenskonen

duifs kirrend spaart men tevreden

het kraaltje van zijn kuisheid voor de heer



21 10 1975

 

 

Soms zie ik de wereld

echt, zoals zij is

en dat is niet genoeg

 

De nuchterheid van mijn dromen

kijkt door mijn uitgeslapen ogen

en ziet niet genoeg

 

Wat mis ik, wie mis ik

in de straat met gele blaren

met auto’s die rondhollen

aan touwtjes vanboven

(ben ik geen kind meer?)

 

Soms, ’s morgens, zie ik mijzelf

nuchter in de wereld en

dat is niet genoeg



04 11 1975

Michelangelo fecit

 

Het oog

bliksemt

de ziel

 

Wat wordt, hoe uit het blok te baren

 

Tijd

groeit

de natuur

 

Het treedt uit met een kreet

 

Aarde

rochelt

het beeld



? ? 1976

 

 

Zonnig voor de val behoed

vliegt in metaal geklemd de man

blode maar ten prooi

ten paradijze

 

er komen toch, geslingerd door den hoge

zwaar is zijn angst te torsen op zo iel een vleugel

zakken zonder vallen, o

Zeus, als de gesmeerde bliksem

opvlucht weer, getild

 

dood al voor de dood en als de dood

 

nader toch

steeds dichter



? ? 1977

 

 

De kleine stastok

lijmt een dauwdrop in het schootsveld

 

Zo groeit

in de onderbuik de liefde



 01 01 1977

 

I

 

Het regent maar wat in Parijs

 

kermis op de boulevard

minachting ontkleedt zich

 

Pigalle wacht zwartogig

de val van het rijk

 

Saint-Michel toetert

grote verzoendag

 

een slaaf uit Algiers

wist bloed van zijn wangen

 

regen doorsijpelt

de clochard op zijn rooster

 

II

 

Eerst naar Henri Beyle

sluimerend op Montmartre

 

vervolgens Père Lachaise

Proust groeten

 

tot slot op Montparnasse

‘het kreng’ van Baudelaire



23 01 1978

 

 

Muziek

kijkglas terug in de tijd

 

Het verstrekene

verglaasd verstrijkende

 

Verdronken, herrezen

en door een waas van tranen



11 01 1979

 

 

In de schemer

bij Eislers vrolijke gevechten

voel ik de kamerplant bedachtzaam groeien

 

Nu mijn hart krimpt

is zijn groen onverdraaglijk

 

Ik smeer mijn avondbrood

twee kleffe plakjes



18 01 1979

 

 

Zo woon ik opnieuw tussen oud zeer

lang dood gewaand en begraven

ik heb het al verpot, verplant

begiet het trouw op het middaguur

koester het in mijn broeikas

 

Dreigt een de dood dan ren ik in paniek

de straat op met mijn vraag om liefde

geluk! daar stroomt groen bloed weer

door de haarvaten van het verdriet

 

Zo verglijden mijn dagen

tussen kweeksels in potgrond



25 01 1979

 

 

Wakend naast je in het smalle bed -

je adem die slaapt

hoe je je omdraait, koelte zoekend

van plat op meisjesbuik naar

kinderlijk handen in de nek -

word ik ontroerd tot weggepinkte tranen

van dromen zo nabij

 

tot je opspringt

en wegvlucht



29 01 1979

 

 

Nerveus

die strijkstok langs

Bachs solocello

 

Een hand die zich snijdt

aan een grasscheut

 

Bach toch!

wat een harmonie bergt

de snijdende lijn

van je strijksnaar



01 02 1979

 

 

Inkt vreet bloed

 

die dikte boven de maag, waar je me raakte

is geen gezwel maar een knoop

 

ik wankel even, groggy

zie lief sterretjes zwemmen

 

een kreet in stijl

wat verkrampt van stokvoering

 

nooit, vogeltje

word ik jouw

gefixeerd konijn



30 05 1980

 

 

Weer stak de boom zijn takken uit

het was niet de eerste lente

 

O, in de spiegel

zijn eigen beeld verdragen

verraderlijk

sluipt steeds de winter nader

dwars door het bloeien heen

 

Jong slechts

blijft hoop en dwaasheid



12 06 1980

 

 

-’Zou je de kleine meid niet eens

uitlaten?’

 

-’Ja, maar zij speelt

in de innerlijke tuin

bloemen bloeit zij, bloemen -

tot haar gezicht

in geur oplost; puzzels

ben ik zonder haar

ongemerkte aanwezigheid

in de onzichtbare tuin’

 

-’Zou je toch de kleine meid niet eens

uitlaten?’

 

-’Nee, half zou ik blijven

troosteloos en verweesd’

 

-’Zou je de kleine meid niet eens?’

 

-’Nee, er komt niets van

   uit’



25 10 1980

 

 

Berlin, Hauptstadt der DDR

Linienstraße

 

(De verovering 45-80)

 

I

 

Toen/nu

hier

 

Leren dit te dichten

bruggen over bomkraters

woordstraten tussen

woordtanden/woordhuizen

 

Welke taal, wend ik mij om

spreken nu de ruïnes

kogelgatoverstippeld

 

Wiedergutaufbauten?

(of andere woordstapels:

Wettbewerbkollektiv)

 

Wat niet bestond

damals

bestaat niet

drüben

 

 

II

 

Ervaringen

worden gemaakt

 

Ruiten

in zó’n huis ook

wast een vrouw

haar gebaar

bezweert ...... (spervuur)

 

Duizel ik even

ik ga verder -

een ervaring:

rijker?



04 11 1980

 

 

Nergens

hoeven ze heen, de vogels. Ontbijt

in het dal, zwervend

al verder, vrij

tot het eind

van de keten



08 01 1982

 

 

Goethe

 

Levensloop (Maximen und Reflexionen no.1345-1348)

 

I

 

Mooi? De bloem slechts!

zuiver verschijnende wet

 

mooi?

nooit de vrucht

 

jeugd alleen

is mooi

 

Wat werd wie jong al was?

wet weer,

vrucht:

Meeresstille

 

Furchtlos

am Ende

 

II

 

Leven:

koorts van de stilte

 

Über allen Gipfeln:

van onrust genezen

 

Memento mori?

 

Memento vivere:

das Römische Karnaval

waar het voorbijspringt

onder doodsdruk



15 07 1982

 

 

Op de rots het fort, de koepel

wat slaat men gade

nu de sferen zijn verkend?

 

Hoog kruist de satelliet -

in het vizier: de aarde.

 

Sterren spetteren; de nacht

behekst de aarde

roerloos hangt het beeld

aan het verstard plafond



29 07 1982

 

 

Zijn: tussen te lege

Hollandse horizonten

op de fiets in de wind, een

nooitgedacht zoele zomerdag,

na het beperkt, beperkend werk

in de maat dwars door het mateloze,

dat is het:

trappend Zijn

 

Hier niets wezenlijks -

geboorte noch dood is het geval

uitbuiting noch onweer

en ook de obligate vulkaan

is ver te zoeken in dit landschap,

buiten en binnen



15 08 1983

 

 

De zon, goudgebaard

groet de dampende aarde

 

Wee wie bewaarde

of de voren spaarde

 

Zijn zaad, naast de akker

spookt de dromer wakker

 

De hel, kille oven

bevriest hem van boven

 

Versteend tot het bot

krijst hij om God



22 08 1984

 

 

Dochter geboren...

 

Tussen waak en slapen

op de dood veroverd

 

Moeders bolle toet

vaders lange leden

ogen op weg van blauw naar bruin

 

Aandacht (schenken, ook)

van het eerste uur

 

La-la, honger en

geboortekreet

 

Peilloos bleef

het verdriet in haar darmpjes

 

Levens kwart in Fanas

met berg en dal vertrouwd

 

Terug in Holland rol ik om

zie alles anders nu

 

Beschrijf de wereld

als grr vol vreugde

 

Richt mijn klare spiegel

op hun rare aarde

 

In de kleine uurtjes

op de dood veroverd



03 05 1987

 

 

Poging tot verhelen

op het voorzomers strand

 

ver de tere

streep

horizon, zeese

oneindigheid

 

meeuwen, zeilen

ho maar! geen tekens,

ook branding nauwlijks,

bruisend, malend het

strand

 

schelpen wel, oren van de

kinderzee

 

zon die koud licht

schenkt over schaarse

beesten: hond, paard,

mens



? 08 1992

 

 

IN MEMORIAM MATRIS

 

Goddelijk ooit

de knie waarop gewiegd

 

Heilig toen

de borst waaraan gezoogd

 

Koel steeds

de blik waarmee gemeten

 

O! dat je nooit meer tegen mij zult praten

omdat je as nu is verstoven op de wind

 

                     * * *

 

Eens zal ook jouw en mijn gesprek verstommen

o zoet geslacht, o zachte buik bewogen

Het liefdesvuur zal zijn verkoeld, verblazen

als onze as zal zijn verstoven op de wind



                                                                                                                                                                                                                  voor Catharina

? ? 1997

 

 

Alles om mij heen is zwart

tot het uitbarst in jouw

blonde weelde

niet in woorden te vangen

älskarinna

 

 

 

 

 


 

 

 voor Catharina

 

 

? ? 1998

 

Onder de pijnboom

(ach!)

eenzaam even

 

Nu jij mijn lief

in mijn ruimhartig vangnet

 

Ook dat roest - niets is immuun

ooit scheurt het

(zonder pijn

hopelijk

voor jou voor mij dan)

 

Rust dus even, vind troost

tussen mijn beenderen, jij

mijn liefste



28 04 1999 

 

voor Catharina

 

I  Tristitia

 

Er is geen reden

om romans te schrijven

geen reden

om geen romans te schrijven;

zo blijf ik

tussen taal en zwijgen steken

 

Te veel weet ik van schrijven,

te veel van niet-schrijven -

werkelijkheid

dood en geboorte -

te veel om te schrijven,

te veel om niet ...


 

 II Apatheia

 

Zo snellen wij

het einde tegemoet - het vlees

gewillig, zwak misschien

de geest, tussen

de benen fier

het geslacht

 

(een tent gekocht, een tent)

 

wie het weet, mag het zeggen

wat er is ginds

waar niets is

 

(een tent gekocht

voor de reis)

 

 

III Laetitia

 

Waarom dichten?

Omdat ik zon

in mijn tuin

achter mijn huis -

omdat mijn zon schijnt

 

omdat ik jou heb

om lief te hebben

 

Mijn hebben, mijn houwen:

filosofisch staan ze zwak, en toch

keihard stuit ik op

geluk



18 08 1999

 

 O Odysseus

 

Omringd door schimmen in de golven

een speelbal van de grillen van de tijd

had hij de hoop op troost al laten varen

was hij het beu te wachten op respijt

 

Nu zijn in dit sonnet van twee kwatrijnen

de eb de vloed tenslotte toch bedaard

gespoeld aan land, herwonnen voor de aarde

heft hij de ruige kop naar waar Nausikaä staart



9-6-2005

 

Zing, nachtegaal

je schokkend lied

meer dan leven

is er niet


 


09 06 2005

 

Fabeldier

 

Op het kruispunt tussen twee stammen

sta ik

(ik ikker ikst)

en ver-één in mij

die twee

 

O, Pegasus was geen centaur als hij

van pa en ma het ongelukkig ei -

dit

Siamees

gedrocht



18 06 2005

 

Kant en de Wal

 

Belangeloos genieten

de koel-esthetische waardering

voor kokswonderen of

wulpse poses -

hoe laat in het leven

wordt het ons gegeven

 

En toch

meedogenloos schrijdt

(schreit)

de tijd voort


 

25 06 2005

 

Kringloop

 

I  Never more

 

Het klokkenspel van knapen

speelt vroegrijp in de lente

 

Het klokkenspel van kerels

speelt potent in de zomer

 

Het klokkenspel van heren

speelt deftig in de krijtstreep

 

Het klokkenspel van grijsaards

speelt helaas in de winter

 

II Evermore

 

Zie daar bungelen

onbeschut in de zomer

de tederheden van aanstaande moeders

 

Zie daar bollen

onder wiegende heupen

de deinende billen

 

Zie ze daar stappen

op volslanke dijen

de statige benen

 

Vermoed het geheim

van lente en zomer

 

Maar vermoed in die pracht ook

de herfst en de winter



25 06 2005

 

Zoals mijn bril was ook

mijn hart niet krasbestendig

het liet geen onpartijdig hierzijn toe

ik was een ik dat van zijn angsten leefde

en als een kruidje-roer-me-niet

naar binnen sloeg



10-06-2003

 

Geen Toverberg geen Ludlum:

krap zitten mijn woorden

om het gespannen lijf

ze zeggen niet meer dan

het minst noodzakelijke,

dat wat het leven doet draaien:

stilte om de muziek,

het onzingbare Requiem



 

16-08-2005

 

Het is tijd:

de kinderen van je kinderen krijgen kinderen

tijd is het om te gaan misschien

of om nog even te blijven en

van achter je bril met flessenbodems

of tussen je grijze wimpers door

te zitten observeren

- extraneüs,

vel over buitenbeen

en binnenbot -

gade te slaan de wereld

die wereld van instinct, warm vlees

vluchtige voortplanting, op de soort,

haar wankel, wie weet overbodig

voortbestaan bedacht


 

 28-7-2013

 

My heart

- a pumping machine -

longs for tranquillity

but goes on bumping

indifferently


 

 15-12-2013

 

In de monstrans van de hemel

staat als bleke hostie

de maan

 

Waarom haar niet aanbidden

achter de wolkenflarden

van mijn ongeloof?

 

 

Terug naar hoofdpagina