Nawoord bij mijn vertaling van Goethe: Natuurlijke verwantschap

 

 

(Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1979.)

 

 

In 1808 en 1809 schreef Goethe (1749-1832) in Weimar de roman Die Wahlverwandtschaften. De relaties tussen vier hoofdfiguren: baron Eduard, zijn vrouw Charlotte, het jonge weeskind Ottilie (dochter van Charlottes vriendin), en Eduards vriend Otto, kapitein in het leger, maken een ontwikkeling door die door Goethe wordt vergeleken met een chemisch proces. Twee 'stoffen' (Eduard en Charlotte) zijn een verbinding aangegaan. Maar: elk van beiden is 'verwant' met een stof die van buiten wordt toegevoegd: Eduard met Ottilie, Charlotte met de kapitein. De verwante stoffen oefenen zo'n hevige aantrekkingskracht op elkaar uit, dat de verbinding tussen Eduard en Charlotte uiteenvalt (schei-kundig of scheidings-kundig) en Eduard, romantisch, bandeloos, in het grenzeloze, het onmetelijke belandend, een nieuwe verbinding aangaat met Ottilie, een verbinding die tot hun eenwording, maar vervolgens tot beider passieve zelfmoord zal leiden. Charlotte en de kapitein, hoewel evenzeer door elkaar 'aangegrepen', klampen zich vast aan de normen van de burgerlijke samenleving, de gangbare moraal, en blijven door 'Entsagung' (het afzien van bevrediging van hun verlangen) het lot de baas.

 

De kracht die door de nieuwkomers op het echtpaar wordt uitgeoefend is noodlottig, onweerstaanbaar, een natuurkracht. Het kasteel van Eduard is als een experimenteerruimte (in de chemie een glazen kolf), waarin vier personen door de schrijver worden neergeplant om te zien hoe ze van binnenuit zullen worden gedreven - ieder door zijn karakter dat naar zelfverwerkelijking streeft - en hoe ze daarbij door de omstandigheden, het toeval (letterlijk: wat hun toe-valt) zullen worden begunstigd dan wel gefrustreerd.

 

De veranderingen, waaraan de figuren enerzijds bijdragen maar die hun anderzijds overkomen - waarbij ze te vaak, vanuit hun culturele waan, menen de gebeurtenissen in de hand te hebben terwijl ze in werkelijkheid, zich niet bewust van het krachtenveld waarin ze opereren, optreden als agenten van de-natuur-die-handelt-door-hen-heen - deze veranderingen vertonen - Goethe koos de vergelijking met de chemie niet toevallig - overeenkomsten met een alchemistisch proces. Geheel volgens de traditie culmineert dit proces in een 'chemisch huwelijk', de mystieke vereniging tussen Eduard en Ottilie.

 

Met het werk en het leven van Goethe niet vertrouwde lezers zal het misschien verbazen, bij deze 18e- en 19e-eeuwse Duitser sporen aan te treffen van zoiets irrationeels, zoiets duister middeleeuws als de alchemie, de 'natuurlijke magie'. Maar de lezer van zijn Faust weet dat de middeleeuwse geleerde ook bij Goethe, althans in het eerste deel van het beroemde toneelstuk, alchemist is. In het tweede deel, pas tegen het eind van Goethes leven voltooid, is Faust meer wetenschapsman en technicus. Dezelfde ontwikkeling heeft Goethe zelf in zijn vroege jeugd doorgemaakt: een ontwikkeling van geloof naar wetenschap, van een 18e-eeuws piëtisme - de vrome geloofshouding van de Hernhutters, de 'Stillen auf dem Lande', een vroomheid die gepaard ging met een wereldbeschouwing (de magia naturalis, de leer van Gods scheppingswijze in de natuur) die dichter bij de alchemie stond dan bij het verlicht rationalisme - naar een 19e-eeuws vertrouwen op menselijke natuurbeheersing door middel van de techniek.*

 

Die Wahlverwandtschaften is met name polemisch gericht tegen een algemene terugval in het irrationalisme dat hij in zijn jeugd had overwonnen: tegen de vroeg-19e-eeuwse, als begeleidend verschijnsel van de Duitse politieke machteloosheid te beschouwen, middeleeuws katholiserende wereldvlucht van de romantische beweging. Dat dit polemische karakter van de roman niet meteen in het oog springt, is een gevolg van de strijdmethode die Goethe hier hanteert: hij bevecht zijn tegenstanders met hun eigen wapenen, schrijft een romantisch boek tegen de romantiek (daar zal een behoefte om gelezen te worden niet vreemd aan zijn geweest). Met deze twee polen: het irrationele en de wetenschap, zal ik me in dit nawoord bezighouden.

 

Deze tegenstelling in het boek is overigens niet het enige symptoom van het feit dat Goethe schrijft in een woelige overgangsperiode. Achtergrond is de Franse revolutie, waardoor de rol van de adel als leidinggevende groep in, en door Napoleons oorlogen ook buiten, Frankrijk werd overgenomen door de burgerij (in 1808 verstaan we intussen onder 'burgers' al lang niet meer de idealistische 'citoyens' met hun leuze 'vrijheid, gelijkheid en broederschap', maar de industriëlen, de 'bourgeois'). Die overgang, van de hegemonie van de adel met zijn verpachte, rentegevende bezittingen, zijn zorgzaam voor het nageslacht behoed erfgoed, naar die van de grote burgerij met haar kapitalen, haar industrie, haar in gedisciplineerde legers gevangen arbeidersmassa's en haar wereldwijde kolonialistische jacht op grondstoffen en afzetgebieden, heeft grote invloed op de ontwikkelingen en discussies in het boek.

 

Misschien kan het verhaal worden samengevat als de noodlottige ondergang van een Duitse edelman, niet hoog in rang, maar met genoeg bezittingen om hem tot een levenslang onbezorgd nietsdoen in staat te stellen; een heer echter, die aan de ene kant weigert zich aan te passen aan de nieuwe, burgerlijke ordening (een orde van geld, dus van kwantiteit, van tellen, van meten), maar die aan de andere kant, doordat de tijden onherroepelijk zijn veranderd, ook het houvast van de middeleeuwse, hechte, overzichtelijke maatschappelijke hiërarchie moet missen, die eens voor eeuwig door God gegeven scheen.

 

Eduard overschrijdt zowel de oude, traditionele, adellijke, als de nieuwe, burgerlijke grenzen; hij belandt weerloos in het oeverloze, het onmetelijke van een, ironisch genoeg als een middeleeuws heiligenverhaal gestoffeerde maar best 'krankzinnig' te noemen, romantische schijnwereld. Die wereld valt samen met het geïdealiseerde verleden waartoe de Duitse romantici hun toevlucht namen; zij is tegelijk de 'natuurlijke' omgeving van Ottilie, het bovenaards zuivere vrouwspersoontje met de onhoorbare voetstap, dat even uit de hemel schijnt neergedaald om - uit haar baan geslingerd door de aardse, lichamelijke liefde, en daarvoor al wreed gestraft met de dood van het aan haar zorgen toevertrouwde kind - te boeten met een (door Goethe aanvaardbaar gemaakte! Wie verliest zijn sympathie voor Ottilie?) zelfmoord via zelfverhongering; een zelfbestraffing die door de baron, minder bovenaards van huis uit en fysiek nog gestaald op het slagveld ook, met de grootste moeite, en tegen haar uitdrukkelijke wens in, wordt nagevolgd.

 

De kapitein en Charlotte, niet minder in gevaar binnen de experimentele ruimte waarin zij door Goethe zijn neergezet, houden beter stand; de eerste geheel en al, als de begaafde niet-bezitter die, na aanvankelijk door de omstandigheiden tot een verafschuwde werkloosheid gedoemd te zijn geweest, militair-burgerlijk carrière maakt; de laatste, zwaar gestraft voor haar misrekeningen (maar rekeningen waren het wel: ze probeert steeds het effect van haar handelingen, in het financiële zowel als in het morele, te calculeren) blijkt in staat tot inzicht te komen in het onweerhoudbaar voortwentelen van de Tijd, en haar eerder, op terugdraaien gericht, gedrag te herzien.

 

Het irrationele treffen we in Die Walhvenvandtschaften in nogal wat variaties aan: als geloof in voortekens (door de verteller - ironisch? - als waarschuwingen van een hogere macht geduid), als volksgeloof in wonderbaarlijke genezingen, als het symbolische ritueel bij de eerste steenlegging dat aan vrijmetselarij doet denken, als door de lord gewantrouwde pendel-verschijnselen, en als het door zijn reisgenoot beoefende magnetiseren, dat Ottilie's chronische hoofdpijnen zou moeten genezen maar door Charlotte wordt afgewezen.

 

Wezenlijker echter voor Goethes fictieve constructie is de, buiten fictie onmogelijke, geestelijke echtbreuk met fysieke gevolgen: Eduard verwekt een kind bij Charlotte, terwijl beiden in gedachten hun 'verwante' partners omhelzen; dat 'Wunschkind' heeft de ogen van Ottilie en de bouw van de kapitein!

 

Het is niet de enige sprookjesachtige passage in het boek. Verderop vinden we een koffer die vol blijft wát er ook wordt uitgehaald, en een lijk dat dodelijke wonden geneest als het wordt aangeraakt. In deze niet-realistische sfeer is ingebed wat ik heb aangeduid als een alchemistisch proces. Doel van de activiteiten van de alchemisten was het vinden van stoffelijke middelen om de menselijke situatie te overstijgen, de vergankelijkheid te overwinnen en aldus de mens onsterfelijk te maken; die middelen, aangeduid als goud, steen der wijzen of levenswater, moesten een vereeuwiging bewerkstelligen, de macht van de tijd opheffen, de ononderbroken stroom van worden en vergaan tot staan brengen. Daarvoor was zuivering nodig, en in dit verband is het nuttig te weten dat het alchemistisch proces dubbel was: materieel én psychisch: het welslagen van de chemische, stoffelijke zuivering of destillatie was ondenkbaar zonder een gelijktijdige, parallel verlopende, geestelijke zuivering.

 

Een van de symbolische aanduidingen van dit psychofysische proces is de uit zijn as verrijzende feniks. Het 'eeuwige leven', zegt dit beeld, wordt steeds bereikt 'door de dood heen', via ontbinding. Het beeld van de feniks komt voor in de dagboekaantekeningen van Ottilie, waar zij - uit 'een of andere bundel' - noteert: 'Onze hartstochten zijn echte feniksen. Zodra de vorige verbrandt, verrijst de nieuwe al weer uit zijn as.'

 

Nu treft meteen de 'verkeerdheid' van het beeld: het gaat hier allerminst om een proces van zuivering, van vergeestelijking, nee, juist de menselijke hartstochten (door de romantici verheerlijkt, maar door Goethe een paar regels verder als 'hopeloze ziekten' gekarakteriseerd) worden hier als onsterfelijke feniksen afgeschilderd. Het is, als zei Goethe tot de romantische verdedigers van de hartstocht: hartstocht plant slechts zichzelf voort, terwijl tenminste in góede magie het resultaat een fundamentele verandering van de mens, een grondige zuivering zou moeten zijn. In het beeld van de nachtegaal wordt de enige reële mogelijkheid van ontstijgen aangeduid: in de muziek als puurste kunstvorm, waarin de natuur, het lichaam, de stem, tot iets geheel anders wordt gesublimeerd: het voortbrengen van fysische klanken wordt lied.

 

Ook Eduard, in zijn romantische verdwazing meegesleept door zijn hartstocht voor Ottilie - die 'niet van deze wereld is' - bereikt zijn doel niet. Tot het laatst bijgelovig- irrationeel vertrouwend op de 'gebleken' onbreekbaarheid van het broze drinkglas dat voor hem de eeuwigheid van zijn band met Ottilie 'bewijst', sublimeert hij niets, maar verliest alles waarvan hij zich zeker waande. Het laatste dat hij - het glas is dan al gebroken - tegennatuurlijk offert is zijn leven, dat hij eerder, het identificerend met het glas, in het vuur van de strijd had pogen te harden. De weg die Eduard, vergeefs, bewandelt om de tijd te verschalken en op een primitieve, magische manier definitief in het 'bezit' van Ottilie te komen, is dus allerminst die van de vergeestelijking. Hij wordt gedreven door zijn hartstocht, door zijn bandeloze emoties. Het vuur ontbreekt niet, integendeel, maar het doorbreekt romantisch zowel het traditionele, beschermende, sociale, normenstelsel, als de voor 'vrije burgers' onontbeerlijke zelfbeperking. Zinnebeeldig worden in het boek ook de tuinen gehanteerd: de ingesloten tuin van Eduards vader staat tegenover het open, Engelse landschapspark dat, na dilettantische pogingen van Charlotte (wie het aan inzicht en overzicht ontbreekt) door de kapitein rationeler wordt aangelegd. Eduard laat in deze aanleg het 'dubbelzinnige' water gevaarlijke proporties aannemen: drie plassen worden, alweer heel romantisch, herenigd tot het meer dat ze in de primitieve, nog niet door menselijk ingrijpen bedwongen natuur zijn geweest. Water is echter slechts vriendelijk voor wie het beheerst: voor de goedburgerlijke kapitein, en voor de jongeman in de ingebouwde novelle, die trouwens met de kapitein wordt geïdentificeerd.

 

Romantici zijn self-made ontwortelden, en Eduard wordt hun door Goethe voorgehouden als hunsgelijke die de mist ingaat.

 

Met het begrip beheersing van natuurkrachten zijn we bij de menselijke techniek, bij de toeëigening van de natuur door de menselijke samenleving beland. De grondslag van de techniek is de natuurwetenschappelijke kennis. Goethe was niet alleen literator, minister en schouwburgdirecteur, maar ook natuurvorser. Zijn leven lang deed hij intensief onderzoek naar de anorganische natuur (de gesteenten) en de organische (planten zowel als dieren). Hij was een groot waarnemer van het concrete, van feiten, maar bleef niet in het verzamelen, het categoriseren steken. Het was hem te doen om de mens, om de relatie van de mens met zijn omgeving, en hij zag overeenkomstige wetten in alle fasen van de natuurlijke ontwikkeling die in de mens haar voorlopig eindpunt heeft. Zijn aandacht voor het kwalitatieve in de relatie tussen de mens en wat hij als feiten waarneemt, liet hem fel ageren tegen de 'objectieve', strikt fysisch-kwantitatieve kleurenleer van Newton, waar hij zijn psychologische benadering tegenover stelde (hun tegengestelde opvattingen vullen elkaar aan).

 

In de vooraankondiging van Die Wahlverwandtschaften maakt hij duidelijk waarom hij de betrekkingen tussen mensen vergelijkt met die tussen stoffen: er is, zegt hij, slechts één natuur, en 'ook het Rijk der Redelijke Vrijheid wordt continu doorkruist door sporen van troebele hartstochtelijke onvermijdelijkheid'! De toon van dit citaat zegt genoeg over de voorkeur van Goethe: er is geen sprake van dat hij in 1809 tot troebele romantiek is bekeerd, al moet men zijn strijd hiertegen zeker ook zien als een gevecht met zichzelf. Ook de ideeën over menselijke opvoeding die in de roman worden gespuid vertonen parallellen met de lagere gebieden der natuur. Innerlijke bepaaldheid en toevallige omgeving spelen bij mensen evenzeer een rol als bij planten, en dat heeft consequenties voor de pedagogische theorie; men zie de relatie tussen de hulpleraar en Ottilie.

 

Er is in het boek wel het een en ander dat de goedkeuring van lezers uit 1979 naar men mag hopen niet zal wegdragen: betrekkelijk onschuldige 'afwijkingen' als de afkeer van dieren - apen - waar wij nu net een voorkeur voor hebben, minder onschuldige als, in stijgende volgorde: neerbuigendheid tegenover lagere standen, militarisme en zelfs op één plaats iets als racisme, waar 'moren' tussen apen en papegaaien worden vermeld!

 

Na al onze aandacht voor de hoofdfiguren in de roman lijkt het mij goed iets te zeggen over de bijfiguren, en wel dat ze zeer functioneel zijn, ten dele als verduidelijking van eerstgenoemden. Zo is de onsymphatiek overkomende Luciane, de komeet die de geordende sterrenhemel van het kasteel op zeer negatieve wijze schokt, als tegenpool te beschouwen van Ottilie, wier aangeboren karakter haar als het ware voorbestemt tot ordenen, tot huishouden in positieve zin. Dan zijn er de graaf en de barones, die hun opponent Mittler relativeren zoals hij het hen doet: zij staan voor de niet gebillijkte vrije liefde, voor het cynisme van de hoogadellijke 'grote wereld' met zijn decadente opvattingen, Mittler voor een hypocriete, even onaanvaardbare huwelijk-ten-koste-van-alles-ideologie, ideeën die de lezer door zijn latere vergalopperingen evenzeer gaat kritiseren als de praatjes van de graaf en het geïtrigeer van de barones, die zo'n schadelijke uitwerking op Ottilie zullen hebben.

 

Twee contrasterende personen zijn ook de architect en de hulpleraar; de eerste, hoewel middeleeuws katholiserend romantisch, laat aanvankelijk een goede indruk achter; later wordt hij toch enigszins gerelativeerd door de hulpleraar; van wie we als lezers echter ook weer niet helemaal zeker weten in hoeverre we hem van Goethe serieus moeten nemen.

 

Over de structuur van het boek: de dubbele reeks hoofdstukken - in de eerste opzet was het dertiende zelfs tweemaal het ongelukshoofdstuk! - over de spiegelfunctie van de novelle van de buurkinderen, over het ingrijpen van de auteur via Ottilies dagboek en over de rode draad daarin, zou nog veel te schrijven zijn. Ik wil het laten bij iets dat misschien niet iedereen zou opvallen: dat alle hoofdfiguren varianten op dezelfde naam dragen: Charlotte, Otto, Eduard die eigenlijk ook Otto heet, Ottilie en het kind Otto. Ik beschouw dat als steun voor mijn opvatting dat we niet te doen hebben met een psychologische roman - waarbij de individuele eigenaardigheden van de afzonderlijke personages de volle aandacht krijgen - maar met een experimentele situatie, waarin vier varianten van de soort 'mens' worden neergezet om het proces van hun veranderende relaties te bestuderen. Dat levert een merkwaardig sprookje op, waarmee Goethe, schouwburgdirecteur in Weimar, zijn publiek op theatrale wijze de antiromantische les heeft willen lezen.

 

 

* Van belang voor de ontwikkeling van mijn opvattingen, neergelegd in dit nawoord, zijn minder geweest het opstel van Walter Benjamin uit de jaren dertig en het boek over Die Wahlverwandtschaften, geschreven door de Oostduitser H. J. Geerdts, dan de essays over Goethes natuuropvattingen van A. B. Wachsmuth, verzameld in Geeinte Zwienatur, Berlin und Weimar 1966. - P. L.