Opmerking vooraf: mijn doctoraalscriptie uit 1971 is nooit gepubliceerd. Omdat ze echter de basis vormde van mijn werkzaamheden als docent moderne letterkunde aan de Leidse universiteit, wil ik een belangrijk deel ervan hier vastleggen. In mijn colleges en bij het schrijven van mijn opstellen werkte ik met een literaire theorie die schatplichtig was aan ideeën van Karl Bühler en anderen. Ook de toen gebruikte ‘hand-out’ geef ik een plaatsje.

 

De scriptie was getiteld:

 

DE LITERAIRE FUNCTIE

 

Een onderzoek naar de bruikbaarheid van onder meer Karl Bühlers ‘Sprachtheorie’ voor de literatuurtheorie.

 

INLEIDING

 

De verhouding tussen linguïstiek en literatuurtheorie is onderwerp van deze doctoraalscriptie. Dat er een relatie mogelijk en misschien noodzakelijk is tussen deze twee wetenschappen, wordt waarschijnlijk als men hun object beziet. De linguïstiek onderzoekt de menselijke taal, probeert een theorie, een netwerk van thesen, op te stellen dat geldigheid heeft voor dit belangrijkste menselijke communicatiemiddel. Linguïsten zullen er in de eerste plaats naar streven deze theorie zo op te bouwen, dat zij alle verschijnselen en niets dan de verschijnselen kan beschrijven die zich binnen haar werkterrein voordoen.

 

Er hoeft geen misverstand over te bestaan dat de literatuur gebruik maakt van het medium taal. Dat wil niet zeggen dat de literator niets dan het communicatie-medium taal ter beschikking heeft. Wel is het gebruik van ‘taal’ essentieel en daardoor als het ware ‘centraal’. Zonder de menselijke taal bestond het literaire werk niet: het heet terecht taal-kunstwerk.

 

Die term taal-kunstwerk wil ik au serieux nemen. Het literaire werk is voor mij een kunstwerk in taal. Dat wil zeggen dat er meer dan taal is in het literaire werk. De aard van dat ‘meerdere’ kan echter volgens mij uitsluitend worden beschreven in zijn relatie tot het ‘centrale’ karakter van het literaire werk, zijn taal-karakter.

 

De beschrijving van deze relatie - tussen taalkant en kunstkant van het taal-kunstwerk - stelt de literatuurtheorie zich, in mijn opvatting, ten doel. Neemt men dit mét mij aan, dan is de linguïstiek onmisbaar voor de literaire theorievorming. Onmisbaar, maar niet voldoende. Voor de literatuurwetenschap is het einddoel niet : analyse van de taalkant van het taal-kunstwerk. Doel van de literatuurwetenschap is: beschrijving mogelijk te maken van het meer, de kunstwerkkant van het taal-kunstwerk. Konden we het daarbij stellen zonder de linguïstiek, des te liever. Ik acht het helaas niet mogelijk.

 

Dat wil niet zeggen dat er geen benadering van de andere kant mogelijk is. Die kant noem ik sociologisch. Ik bedoel de rol die een bepaald literair werk speelt in de literatuurgeschiedenis, in de literaire traditie, de verhouding waarin het staat tot de literaire conventies op het moment van zijn ontstaan.

 

Ik ben intussen overgegaan van de algemene aanduiding ‘het literaire werk’ naar de bijzondere ‘een bepaald literair werk’. Dat vraagt om een toelichting. Wat wil de wetenschap beschrijven? Het algemene. Wat de wetenschap wil beschrijven en verklaren is niet het enkele verschijnsel als zodanig, maar het enkele verschijnsel in zijn relatie tot iets anders. De wetenschap is in eerste instantie een geheel van verbanden, van relaties. Welke relaties zijn het object van de literatuurwetenschap? Dat zijn volgens mij verhoudingen zowel tussen onderscheidbare elementen binnen het literaire werk als verhoudingen tussen het literaire werk en wat daarbuiten ligt. Object zijn met andere woorden 1) de structuur, 2) de functie van het literaire werk.

 

Wetenschap is abstract. Haar concrete objecten zijn alleen abstract beschrijfbaar. Het abstracte is beschrijving van altijd meer dan het ene, concrete object. Elke specifieke these geldt principieel voor meer dan één object, en verwoordt uiteraard een relatie tussen objecten.

 

Een volmaakte literatuurtheorie beschrijft alle mogelijke relaties tussen en binnen alle concrete objecten: tussen en binnen alle literaire werken.

 

Zolang er literaire werken zijn gemaakt, is er ook impliciete of expliciete theorievorming omtrent die literaire werken geweest. De eerste taak van elke wetenschapsbeoefenaar lijkt me: het wegen en systematiseren van wat al gedaan is. Ik vind een theorie onvruchtbaar en riskant, die het werk der voorgangers laat liggen. De traditie is onmisbaar voor de vooruitgang. Een breuk met de traditionele beschouwing is onverantwoord zonder kennis van wat gedaan of geprobeerd is.

 

Een dergelijk uitgangspunt voor de linguïstiek heeft Karl Bühler in 1934 neergelegd in het eerste deel van zijn Sprachtheorie. Dat zijn theorie het hele terrein omvat, heeft alles te maken met de wijze waarop hij aansluit bij het werk van de ‘taalvorsers uit het verleden’. Die ‘breedte’ van de Sprachtheorie verklaart de weerklank die zij heeft gevonden bij de Praagse linguïstenschool.

 

In die theorie, waarover men pas de laatste tijd weer iets meer hoort spreken, zaten niet alleen intussen uitgebouwde aanzetten tot de fonologie, er was meer dat tot nu toe bij mijn weten niet werd benut. In deze scriptie doe ik een poging het weer onder de aandacht te brengen.

 

In Nederland is de invloed van Bühler al in 1935 afgeremd door Reichling, die hem op onvoldoende gronden van ‘behaviorisme’ beschuldigde. Door het weerleggen van Reichlings kritiek hoop ik de speciaal Nederlandse belemmering uit de weg te ruimen, die hier de verspreiding van Bühlers ideeën heeft tegengehouden.


Bühlers Sprachtheorie

Paragraaf 1: Algemeen

 

Op pagina III van het voorwoord staat: ‘Die Sprache ist dem Werkzeug verwandt; auch sie gehört zu den Geräten des Lebens, ist ein Organon wie das dingliche Gerät, das leibesfremde materielle Zwischending’

 

Het woord ‘Organon’ gaat terug op Plato. Bühler verhult zijn aansluiten bij een lange traditie niet: (p. IV) ‘Es drängt mich anzuerkennen, dass alles Entscheidende was gesagt werden soll, im Werk der grossen Sprachforscher vorbereitet lag’...

 

Dat geldt meteen voor wat hij het essentiële van zijn taal-theorie noemt, het begrip ‘veld’: (p.IV) ‘Der Feldbegriff’...‘ist ein Erzeugnis der modernen Psychologie; ein Leser, der ihn von innen heraus begreifen will, verfolgt seine Entstehung in der Farbenlehre am Phanomen des Kontrastes’. Binnen de kleurenleer onderscheiden de leerlingen van Hering, zegt hij, de begrippen ‘Infeld’ en ‘Umfeld’ (zie paragraaf 6 van dit hoofdstuk). ‘Wir werden ganz in ihren Bahnen die Umfelder der Sprachzeichen systematisch bestimmen und aus den weitesten Bereichen der den Sprachsinn, wo immer gesprochen wird, mitbestimmenden Umstände das Zeigfeld und das Symbolfeld der Sprache logisch reinlich herausarbeiten. Dass es nicht nur ein Feld, sondern zwei Felder in der Sprache gibt, ist eine neue Lehre’...‘eine Zweiheit von Momenten, die uneliminierbar in jedem Sprachphanomen erhalten ist’...‘So wenigstens in dem Hauptbereiche des natürlichen Sprechens’...‘Die Zweifelderlehre’...‘behauptet, dass das anschauliche zeigen und präsentieren’...‘genau so zum Wesen der natürlichen Sprache gehört und ihm nicht ferner steht wie die Abstraktion und das begriffliche Erfassen der Welt. Das ist die Quintessenz der hier entwickelten Sprachtheorie’.

 

Tekens vindt men in iedere gemeenschap: (p.Vl ) ‘es gibt keine Gemeinschaft ohne Zeichenverkehr’... Het is zelfs zo, (p.VII)) ‘dass schlechthin jede tierische und menschliche Handlung’...‘von Signalen gesteuert wird’...‘Und Signale im Getriebe des sozialen Verkehrs sind auch die Laute der Menschensprache’... ‘Wer dies erkannt hat, soll darüber nicht blind werden, sondern sehend bleiben für den Sondereigenschaften der menschlichen Sprache. Er denke’...‘an den Zeichenverkehr,wie er sich zwischen uns Menschen und’...‘dem

Hunde abspielt. Ist das Sprache?’...Volgens Bühler ‘ist es nicht die volle Menschensprache, die vom psychofysischen System des Hundes aufgenommen, und nichts völlig

Aquivalentes zu Sprache,was von ihm selbst produziert wird’.

 

Op p.IX wijst Bühler op het samenwerken van verschillende faculteiten aan een ‘allgemeine Zeichenlehre’, die hij ‘Sematologie’ noemt. Over Saussure zegt hij (p.9 ): ’Er weiss, das die Sprachwissenschaften das Kernstück einer allgemeinen Sematologie (Semeologie) ausmachen’... Saussure is echter volgens hem blijven steken in de ‘Zauberkreis der stoffdenkerischen Weltaufteilung’ uit de negentiende eeuw. Bühler zelf gaat ‘getreu dem Rezept des platonischen Sokrates zurück in die Werkstätte der Praktiker’... ‘Es gilt, die’...‘Voraussetzungen des erfolgreichen Handwerks’... ‘begrifflich’... ‘zu fixieren. Das ist die Aufgabe einer Axiomatik der Sprachwissenschaften’.

 

De beginstellingen formuleren die het handwerk van taalvorsers uit het verleden succesvol hebben gemaakt, dat is Bühlers bedoeling. Die axioma's (p.20) ‘sind Grundsätze, die aus dem Bestande der erfolgreichen Sprachforschung selbst durch Reduktion zu gewinnen sind’...‘Axiome sind die’...‘gebietsbestimmende Thesen’...

 

Vier axioma's heeft Bühler gevonden:

    

    A: Das Organonmodell der Sprache;

    B: Die Zeichennatur der Sprache;

    C: Sprechhandlung und Sprachwerk; Sprechakt und Sprachgebilde, en

    D: Wort und Satz.

 

In de komende vier paragrafen zal ik Bühlers weergave van zijn axioma's samenvatten.

 

Paragraaf 2.

 

Axioma A: Das Organonmodell der Sprache

‘Ich denke es war ein guter Griff Platons,wenn er im Kratylos angibt, die Sprache sei ein organum, um einer dem andern etwas mitzuteilen über die Dinge’ (p.24). Een organum, dat heeft Bühler al gezegd, is een instrument.

 

In de Kratylos-dialoog vindt hij het volgende model:

 

 (afbeelding 1)

 

Hij zegt ervan (p.25): ‘Der vierte Punkt in der Mitte symbolisiert das sinnlich wahrnehmbare, gewöhnlich akustische Phänomen, welches offenbar zu allen drei Fundamenten an den Ecken in irgendeiner Relation stehen muss’...

 

Bühler bouwt Plato's model uit tot het volgende:

 

(afbeelding 2)

 

De voornaamste aanvulling is de gestippelde cirkel in het midden, teken dat staat voor ‘das konkrete Schallphänomen. Drei variable Momente sind berufen, es dreimal verschieden zum Rang eines Zeichens zu erheben’... ‘Das Dreieck umschliesst in einer Hinsicht weniger als der Kreis’. Dit is wat Bühler noemt het ‘Prinzip der abstraktiven Relevanz’. Niet alle fysische eigenschappen van de taalklank zijn relevant voor hun tekenwaarde (zie de fonologie). Maar de driehoek valt op nóg een wijze niet samen met de cirkel: hij steekt er met zijn punten buiten uit ‘um anzudeuten, dass das sinnlich Gegebene stets eine apperzeptive Ergänzung erfährt’. Ook de niet ‘als taalteken’ waargenomen taalklank is dus geen taalteken.

 

De driehoek is door lijnenbundels verbonden met ‘Sender’, ‘Empfänger’ en ‘Gegenstände und Sachverhalte’. Deze lijnenbundels ‘symbolisieren die semantische Funktionen des (komplexen) Sprachzeichens’. Het taalteken heeft dus volgens Bühler drie semantische functies:

 

‘Es ist Symbol kraft seiner Zuordnung zu Gegenständen und Sachverhalten, Symptom (Anzeichen, Indicium) kraft seiner Abhängigkeit vom Sender, dessen Innerlichkeit es ausdrückt, und Signal kraft seines Appells an den Hörer, dessen äusseres oder inneres Verhalten es steuert wie andere Verkehrszeichen’.

 

Op pagina 29 licht Bühler nog toe, dat de relatie tussen klank en ding, tussen klanktekens (hij bedoelt enerzijds woorden, anderzijds zinnen) en enerzijds Gegenstände, anderzijds Sachverhalte, conventioneel is, en alleen geldt voor ‘contractanten’, personen die tot een bepaalde taalgemeenschap behoren. Geen taal, interpreteer ik, zonder een gemeenschap die haar gebruikt. De begrippen ‘klank’ en ‘Gegenstand-Sachverhalt’ zijn niet voldoende om de hele taalsituatie te beschrijven. Bühler is ervan overtuigd, (p.30) ‘dass im Aufbau der Sprachsituation sowohl der Sender’... ‘wie der Empfanger eigene Positionen innehaben’... Daarbij doen zich (p.32) ‘Dominanzphanomene’ voor, ‘in denen wechselnd einer von den drei Grundbezügen der Sprachlaute im Vordergrund steht’,

 

Paragraaf 3

Axioma B: Die Zeichennatur der Sprache

Dit axioma wordt op pagina 33 door Bühler met nadruk onder de aandacht gebracht in de zin: ‘Die sprachlichen Phänomene sind durch und durch zeichenhaft’. De taalfenomenen zijn ‘mehrstufig zeichenhafte Gebilde’ zegt hij en hij noemt:

1. ‘die Phoneme’ ... ‘die Unterscheidungszeichen am Klangbild’...

2. ‘das Klangbild’ ... ‘fungiert in. der sinnvollen Rede als Gegenstandszeichen’...

3. ‘Endlich hat das Wort’ ... ‘im Kontexte einen Stellenwert’ ... ‘wir nennen dies allgemein die Feldwerte, welche ein Wort im synsemantischen Umfeld erhalten kann’. . .

 

Over de lettergreep (van belang in het onderzoek van teksten dat aan deze scriptie is toegevoegd) schrijft Bühler op pagina 35: ‘Die Silbe als solche’ ... ‘ hat keine gesonderte Zeichenfunktion’ . .. ( zie verder paragraaf 7 van dit hoofdstuk)

Op welke manier zijn teken en betekende verbonden? Bühler zegt hierover op pagina 40: ‘Im Falle des Zeichenseins sind es immer nur abstrakte Momente, kraft derer und mit denen das Konkretum 'als' Zeichen fungiert. Ich habe diesen sprachtheoretisch grundliegenden Tatbestand als das Prinzip der abstraktiven Relevanz bezeichnet und am Unterschied von Phonetik und Phonologie erläutert (K. Bühler: Phonetik und Phonologie. Travaux du Cercle Linguistique de Prague 4, 1931, p.22-53)’.

 

Er is, zegt Bühler op p.44, bij tekens altijd sprake van een niet omkeerbare relatie van een waarneembare component en een niet waarneembare. Van de waarneembare component zijn niet alle concrete eigenschappen relevant (diakritisch, onderscheidend) voor zijn tekenkarakter.

 

Opmerking: Bühler heeft het over de fysische kenmerken van klanken in zover ze in dienst staan van de betekenis van woorden. Wat literatuur betreft kan onderzocht worden, in hoeverre andere fysische eigenschappen van klanken een functie kunnen hebben voor het literaire (super-gestructureerde) karakter van een tekst. Ditzelfde geldt voor de hierboven geciteerde passage over lettergrepen. Al hebben deze geen semantische functie, ze kunnen in een literaire tekst, en daarmee zeg ik niets nieuws, wel degelijk een andere functie hebben

.

Ook Bühler - we zien het aan zijn Organon-model - acht het mogelijk dat de fysische eigenschappen van taalklanken meer functies hebben. Hij zegt op pagina 45 over deze ‘mehrseitige kommunikatieve Dienstleistung des Schallphänomens’, dat bijvoorbeeld ‘Ausdruck’ mogelijk is in ‘Momente des Lautes’ ... ‘die für die Darstellung irrelevant sind’. Ook hier spreekt hij over ‘abstraktive Relevanz’: klankeigenschappen uitsluitend relevant voor ‘Ausdruck-‘ of ‘Appell-’ karakter van een tekst.

 

Daarom lijkt het me zinvol ook een literaire ‘abstraktive Relevanz’ te veronderstellen.

 

Paragraaf 3

Axioma C: Sprachhandlung und Sprachwerk; Sprechakt und Sprachggebilde

‘Wilhelm von Humboldt sagte energeia und ergon, de S aussure ‘ ...’ la parole und la langue’, begint Bühler op pagina 48. Hijzelf vindt deze tweedeling onvoldoende: ‘Es sind nicht zwei, sondern vier Momente (Seiten)’ ... ‘am Gesamtgegenstand der Sprachwissenschaft’...

 

Op pagina 49 maakt hij de vier ‘Momente’ in het volgende schema aanschouwelijk:

 

I

                  II

                  1

                     H

                  W

                   2

                     A

                  G

De letters onderhouden verticaal en horizontaal relaties. Naar de cijfers gerangschikt vindt men:

    I. Sprechhandlungen und Sprechakte (H en A):

 subjektsbezogene Phänomene;

    II. Sprachwerke und Sprachgebilde (W en G):

 subjektsentbundene, intersubjektiv fixierte Phänomene;

   

     l. Sprechhandlungen und Sprachwerker:

niedere Formalisierungsstufe, en:

 

    2. Sprechakte und Sprachgebilde:

 höhere Formalisierungsstufe.

 

Ik zal eerst de vier door letters aangeduide begrippen met citaten van Bühler toelichten,vervolgens zijn indeling.

 

Sprechhandlung (H) . (p.51) ‘Es kann jedes’ ... ‘Wort sub specie einer menschlichen Handlung betrachtet werden’, te vergelijken met een handeling met de handen. ‘In beiden Fällen erweist sich das Geschehen, das wir beobachten können, gesteuert auf ein Ziel hin, auf etwas, was erreicht werden soll. Und genau das ist es, was der Psychologe eine Handlung nennt’... ‘und das ist die volle Praxis im Sinne des Aristoteles’... Daarom spreekt Bühler van ‘der Einbau des Sprechens in anderes sinnvolles Verhalten’ .. .’Ist man’... ‘auf das Faktum des Einbaus aufmerksam geworden, so empfiehlt es sich, die möglichen und bald so, bald anders relevanten Umfelder der Sprachzeichen systematisch aufzusuchen’.

 

Sprechhandlungen zijn daarom voor Bühler (p. 53) handelingen ‘in denen das Problem des Augenblickes, die Aufgabe aus der Lebenslage redend gelöst wird’.

 

(p.56): Voor een handeling is nodig: een ‘Aktionsfeld’. Op grond waarvan determineer je een handeling? Op grond van de ‘Determinationsquellen’ die elke handeling heeft: ‘Bedürfnis un|d Gelegenheit’. Dit wisten Aristoteles en Goethe al. Verder: historische kennis van de handelende om vooruit te zien wat zal gebeuren of achteraf te begrijpen wat gebeurd is’ De

‘Sprechhandlung’ hangt af van: de mate van ‘Sprechenkönnen’ op het moment van handeling

 

Sprechakt (A) (p. 62-63). Hiervoor is volgens Bühler de onderscheiding door Husserl van ‘sinnverleihende Akte’ onontbeerlijk (men vindt die onderscheiding in de Logische

Untersuchungen) . Bühler zegt erover: ‘Ob in einem Texte das Wort 'Pferd' ein Individuum oder ob es die Spezies der Zoologen trifft, ist gewiss nicht gleichgültig und wird weder im artikellosen Latein noch in den Indogermanischen Artikelsprachen morphologisch erkennbar. Man muss es detektivisch gleichsam dem Kontexte oder den Umständen der Sprechsituation entnehrnen, ob der Sprecher das eine oder das andere im Auge hat und meint’ ... ‘ Wo findet das Detektivverfahren’ ... ‘ seine Indizien? ‘

 

Hiermee komt Bühler dicht bij Wittgensteins ‘taalspelen’ ,zoals blijkt uit de volgende passage (p.65), waarin hij zegt ‘dass die Sprache’ ... ‘ stets an das Sachwissen der Empfänger appelliert’. Hij gaat verder (p.66) met te stellen: ‘die sprachliche Darstellung lässt allenthalben Spielräume der Bedeutungsunbestimmtheit offen, die auf keine andere Weise wie durch den Hinblick auf die 'objektiven Möglichkeiten' geschlossen werden

können und in jeder menschlichen Rede auch faktisch geschlossen werden’. Bühler noemt dit vermogen van de taal het ‘praktisch wertvollste, was ihr eignet’, haar ‘erstaunliche Anpassungsfähigkeit’. Het ‘gehört zu den bemerkenswertensten Einrichtungen jeder natürlichen Sprache, dass sie ihre Fassungen verschiedenartig und mehrfach gegen Missverständnisse sichert’. Bij de ‘situationsferne Rede’ zit deze beveiliging volgens Bühler in het ‘Symbolfeld’.

 

Al doet dit alles mij aan Wittgenstein denken, ik moet toegeven dat het in vergelijking met deze allemaal rijkelijk optimistisch klinkt.

 

Sprachwerk (W). (p.53). Dit wordt gelocaliseerd ‘wo wir schaffend an der adäquaten sprachlichen Fassung eines gegebenen Stoffes arbeiten’... ‘Das Sprachwerk als solches will entbunden aus dem Standort im individuellen Leben und Erleben seines Erzeugers betrachtbar und betrachtet sein’. Dat hij hierbij de beschouwing van literaire werken nadert, blijkt uit het volgende citaat (p.54) (‘Poesis’ en ‘Praxis’ ontleent hij aan Aristoteles): 'erst wenn Poësis

gespielt wird, dann sind die Produkte ‘Bauten’ und dergleichen mehr’...‘auf Entbindbarkeit aus ihrer individuellen praktischen Creszenz hin gestaltet worden. Genau an diesem Punkte wird unsere Lehre vom Satz beginnen und nachweisen, wie die Erlösung des Satzsinnes aus der Sprechsituation vonstatten geht’.

 

Het ‘Sprachwerk’ in deze betekenis is uniek. Is het unieke werk wetenschappelijk te onderzoeken? Bühler vindt dat dit moet kunnen (p.55): ‘ jedenfalls zielt die sprachliche Werkbetrachtung in allen Fällen auf die Fassung und in vielen Fallen minutiös auf die einmalige Fassung und Gestaltung als solche ab. Man sollte aber auch für die Erfassung des Einzelnen geeignete Kategorien haben’...‘Eine umsichtige Sprachtheorie muss Platz haben in ihrem Systeme auch für diesen Zweig der Forschung’. Een eis die naar hij vindt de empirie dwingend oplegt. Een taaltheorie is niet volledig, als zij niet alle taalfenomenen kan beschrijven. En daar hoort ook de literatuur bij.

 

Sprachgebilde (G). Bühler geeft van de Sprachgebilde voorbeelden op p.62: de accusatief, het werkwoord, het lidwoord. Het concrete geval doet er niet toe, het gaat om categorieën. Dat wordt al duidelijk in het citaat: ‘Jedenfalls ist und bleibt es so, dass Sätze über das konkrete Sprechereignis ebensowenig in die reine Phonologie, die Wortlehre (Morphologie) und Syntax gehören wie Sätze über Bäume und Äpfel in eine reine Arithmetik’. De zuivere taaltheorie omvat met andere woorden volgens Bühler de taal op een hoger niveau van abstractie dan zij zich in haar concrete verschijningsvorm voordoet.

 

Hier haakt Bühler in op onder anderen Saussure, zoals blijkt op p.57. De polariteit parole-langue is in het geding.Volgens Bühler heeft Saussure echter de ‘Sprachgebilde’ beschréven en niet meer. Van Saussures inzichten geeft hij op p.57 en p.58 de volgende samenvatting:

 

1. Ablosbarkeit des 'Objektes' der linguistique de la langue. Dit is volgens Bühler ‘die Erkenntnis von der Erlösung der Sprachgebilde (ihrem Funktionswerte nach) aus den Umständen der konkreten Sprechsituation.

 

2. ‘Die Sprache (la langue) ist ein System von Zeichen, in dem einzig die Verbindung von Sinn und Lautzeichen wesentlich ist’. Verbindung is volgens Bühler niet hetzelfde als associatie. Verder ziet Saussure volgens Bühler in, ‘dass die semantischen Relationen in der Tat den Gegenstand “Sprache” konstituieren’

 

3. Volgens Bühler is Saussure heel dicht bij de conceptie van een fonologie gekomen,

 

4. In het algemeen heeft Saussure, zegt Bühler ‘den intersubjektiven Charakter der Sprachgebilde und im Zusammenhang damit ihre Unabhängigkeit vom einzelnen Sprecher einer Sprachgemeinschaft scharf, in einigem vielleicht überspitzt herausgearbeitet’ .

 

 

Uit de citaten destilleer ik de volgende beschrijving van de vier ‘Momente am Gesamtgegenstand der Sprachwissenschiaft’ :

 

Sprechhandlung (H): Taal als daad in een concrete situatie.

 

Spreken is handelen, de spreker stelt een taaldaad waarmee hij bedoelt iets te bereiken. Sprekend lost hij concrete problemen op. Taalgebruik is een van de vormen van zinvol

gedrag die sprekers tot hun beschikking hebben.

 

Sprechakt (A): Taal, vergroeid met context en situatie.

 

Aan de kant van de hoorder bepalen context en spreeksituatie de betekenis van woorden. Context en situatie beveiligen taalgebruik tegen verkeerde interpretatie. Altijd wordt kennis van zaken bij de ontvanger verondersteld. Interpretatie van een stuk taalgebruik kan alleen tot een goed einde worden gebracht door rekening te houden met de ‘objectieve mogelijkheden’. Bij ‘situationsferne Rede’ zit de beveiliging tegen misverstanden in het ‘Symbolfeld’ .

 

Sprachwerk (W): Taal als ding, los van de concrete situatie.

 

Er bestaat ook taalgebruik los van de spreeksituatie. Er kunnen taaldingen worden gebouwd die de situatie niet meer nodig hebben. Zulke taalwerken zijn vaak uniek, maar een taaltheorie mag ze niet negeren.

 

Sprachgebilde (G): Taal als systeem, los van het concrete gebruik.

 

 

Het bestaan van dit systeem blijkt bijvoorbeeld uit categorieën als werkwoord, lidwoord, accusatief. Zulke categorieën zijn onafhankelijk van de afzonderlijke spreker. Ze behoren tot de langue, een heel systeem van dergelijke abstracte categorieën, en niet tot de parole, het concrete taalgebruik.

 

Bühlers schema kan hiermee als volgt worden gevuld:

 

I

                  II

                      1

Taal als daad, in een concrete situatie

Taal als ding, los van de situatie

                     2

Taal, vergroeid met context en situatie 

Taal als systeem, los van het concrete gebruik

Met daarbij Bühlers uitleg:

I        zijn op het sprekende subject betrokken verschijnselen.

II      zijn niet op het sprekende subject betrokken. intersubjectief vastliggende verschijnselen.

l en 2 zijn achtereenvolgens een lagere en een hogere graad van ‘formalisering’.

 

Dit zijn dus volgens Bühler de vier kanten aan de taal, het object van de taalwetenschap.

 

Paragraaf 5

Axioma D: Wort und Satz

Om te beginnen stelt Bühler op p.70: ‘die Sprachgebilde sind Wörter und Sätze’... ‘beide gehören zusammen und sind nur korrelativ zu definieren’. Dat is (p.71-72) het verschil tussen iets in taal en iets met bijvoorbeeld vlaggen duidelijk maken. Bij de vlaggen ‘ist das entscheidende Merkmal des Systems’ ... ‘das nichts von irgendeiner Gliederung des Signalsinnes an den sinnlich wahrnehmbaren Zeichen in Erscheinung tritt’...’Das ganze System enthält nur Sinneinheiten dieser einen Art oder Klasse; das System ist nichts als eine Kollektion aus ihnen, es ist ein einklassiges Zeichengerät. Die Sprache dagegen, von der Seite

der Sprachgebilde her gesehen, ist ein zweiklassiges System.’ Kent het vlaggen alleen ‘woorden’, geen ‘zinnen’ (p.73), ‘Ein System vom Typus der Sprache baut jede vollendete

(und situationsentbindbare) Darstellung in zwei abstraktiv zu sondernden Schritten auf, sagen wir einmal kurz, wenn auch unscharf und missverständlich: in Wortwahl und Satzbau’. De woorden gaan te werk, ‘als gälte es, die Welt in Fetzen zu zerschneiden oder in Klassen von Dingen, Vorgängen undsoweiter aufzugliedern oder in abstrakte Momente aufzulösen und jedem von ihnen ein Zeichen zuzuordnen’, terwijl de zin ervoor zorgt, ‘einer Durchkonstruktion derselben Welt (des Darzustellenden) nach Relationen die zeichenmässigen Mittel bereitzustellen’. Dit noemt Bühler op p.75 ‘das “Dogma vom Lexicon und Syntax”.’ Het zijn de ‘axis of selection’en de ‘axis of combination’ die men ook elders in de linguïstiek, bijvoorbeeld bij Roman Jakobson, terugvindt.

 

Paragraaf 6

Het Umfeld. Hoe komt de taal los van context en situatie

Op de eerste pagina van deze scriptie citeerde ik Bühler, waar hij zegt dat de ‘Zweifelderlehre’ de kwintessens is van zijn taaltheorie. Deze leer heeft hij ontwikkeld naar analogie van de kleurenleer. Op p.154 gaat hij hier nader op in.: ‘Ausdruck und Begriff Umfeld, wie sie hier verwendet werden, stammen aus der Lehre von den Farben. Es waren Schüler Ewald Herings, welche das wichtige Phänomen des Farbenkontrastes in einfacher Art beschrieben und exakt bestimmt haben durch die Angabe, dass jedes Fleckchen Farbe auf einer Fläche dem Eindruck nach mitbeeinflusst wird von dem “Umfeld” des Fleckchens. Der Einfluss von “Infeld” und “Umfeld” ist, wat kaum betont zu werden braucht, wechselseitig. Erweitert und übertragen wurde diese Erkenntnis in all den Ganzheitsbetrachtungen, die man heute summarisch mit dem Titel Gestaltpsychologie versieht. Es gehört zu den nie ganz übersehenen oder geleugneten, heute aber viel sorgfältiger als früher herausgearbeiteten Tatsachen, dass die Sinnesdaten nicht isoliert, sondern eingebettet oder eingebaut in wechselnde “Ganzheiten” des psychische Geschehens aufzutreten pflegen und von dorther wechselnde Modifikationen erfahren. Dafür bot sich der Name “Umfeld” wie von selbst an und hat sich eingebürgert.’

 

‘Dass die Sondergruppe der Sinnendinge oder sinnlich wahrnehmbarer Vorgänge, die wir Sprachzeichen nennen, keine Ausnahme macht, versteht sich fastvon selbst. Bleibt nur zu überlegen, was bei ihrem Auftreten als relevantes, nachweisbar wirksames “Umfeld” zu betrachten ist’... ‘Man braucht keinem Sachverständigen zu beweisen, dass das wichtigste und interessanteste Umfeld eines Sprachzeichens sein Kontext ist’ ... ‘Ausser diesem Hauptfall aber gibt es’ ... ‘Fälle eines zwar kontextfreien, aber keineswegs umfeldfreien Auftretens von Sprachzeichen’ ... Daarom moet men volgens Bühler stellen, dat ‘das anschauliche Zeigen und präsentieren’ ... ‘genau so zum Wesen der natürlichen Sprache gehört und ihm nicht ferner steht wie die Abstraktion und das begriffliche Erfassen der Welt.’ Taal speelt nu eens een rol in een concrete situatie ( en dan kan zij beperkt blijven tot een enkel woord zonder binnen-taalse context), dan weer maakt zij zich los uit die situatie. De taal kan met andere woorden een rol spelen in twee ‘velden’, het ‘Zeigfeld’ en het ‘Symbolfeld’. Dit zijn de twee ‘Umfelder der Sprachzeichen’. De volzin heeft (p.366) als kenmerk, dat hij ‘ein geschlossenes und wohlbesetztes Symbolfeld aufweist’. Zinnen staan nu eens mín, dan weer méér los van de concrete situatie (p,367): ‘die Befreiung’ ... ‘von den Situationshilfen gaat soms slechts zo ver, dat ze de ‘örtlichen Umständen der Sprechsituation’ kunnen ontberen (bijvoorbeeld; ‘De Paus is gestorven’). Maar er zijn ook ‘Sätze, deren Sinn auch zeitlichden ümständen der Sprechsituation enthoben ist, zum Beispiel der Satz “zwei mal zwei ist vier” und andere wissenschaftliche Sätze. Daarbij is het ‘das Symbolfeld der Sprache, worin eine neue Fixierung folgt’... (p,372) ‘Genau in dem Ausmass, wie sprachliche Äusserungen                      frei werden ihrem Darstellungsgehalte nach von den Momenten der konkreten Sprechsituation, unterstehen die Sprachzeichen einer neuen Ordnung, sie erhalten ihre Feldwerte im Symbolfeld, sie geraten unter den mitbestimmenden Einfluss des synsemantischen Umfeldes.’

 

Als middelen die de zin losmaken uit de concrete situatie noemt Bühler op pagina 374 ‘Exposition’ in de zin: het aangeven van het hier en nu, zodat de ontvanger zich ‘im Phantasma zur Sache versetzt’, en verder ‘Standpunktwechsel’, en wisselend point of view.

 

Reichling en Bühler

De kern van Reichlings kritiek op en gelijktijdige aanbeveling van Bühler vindt men op pagina 8 van Het Woord: ‘Bühler’ ... ‘is psycholoog, daarin ligt zijn kracht en zijn zwakheid’ ... ‘Geen linguist kan hem ongelezen laten, maar geen linguïst ook zal hem volledig volgen. Niet zonder meer de menselike ervaring bij taal-gebruik is voorwerp van onderzoek voor de taalkunde, doch wel’ ... ‘het taalgebeuren zelf, beschouwd in al zijn betrekkingen’ ... ‘De “sematologie”, die Bühler in zijn “Axiomatik” bedoelt, is in werkelijkheid metaphysiek’.

 

Voor Bühler zijn de axioma’s, deductief afgeleid uit het werk van de succesrijke taalvorsers uit het verleden, gebiedsafbakenende thesen. Ze geven hem het antwoord op de vraag: waar vindt de taalwetenschap haar object? Reichling ontkent niet dat dit object te vinden is binnen het gebied dat Bühler met zijn thesen afbakent. Hij wil alleen beperkende thesen toevoegen om dat object, de taal, zuiverder op zijn werktafel te krijgen. Vergeleken bij Bühler is Reichling purist. Hij wil voor het onderzoek van taal een minder ruim uitgangspunt kiezen dan Bühler. Dat komt omdat hij van mening is (p.4), ‘dat noch “Appell”, noch “Ausdruck” in eigenlike zin taalverschijnselen mogen heten, dat zij echter noodzakelike momenten vormen der taal-ervaring, en dat derhalve de noodzakelikheid moet worden geponeerd het linguistisch onderzoek bij de “Darstellung”aan te vangen. Ook Bühler sprak duidelik uit, dat de taal-ervaring alleen vanuit de “Darstellung” te begrijpen is, doch hij maakte dit inzicht niet methodies vruchtbaar.’

 

Reichling toont zich hier Saussureaan. Hij geeft aan dat voor hem niet het taalgebrúik (parole) voorwerp is van linguïstisch onderzoek, maar alleen taal (langue), het abstracte taalsysteem waarover de taalgebruikers bij hun taalgebruik beschikken. Niet de taal als daad in een concrete situatie, als communicatiemiddel, maar de taal als het ware áchter, lós van de situatie. Bühler had volgens Reichling methodisch beter kunnen uitgaan van het symboolveld dan, zoals hij doet, van de concrete gebruikssituatie. Dat blijkt al op pagina 3 van Het Woord, waar Reichling schrijft: ‘we moeten helaas beginnen te constateren dat Bühlers onderzoek ten eerste aanvangt daar waar het taal-gebeuren niet ligt, bij: ‘das was die Sinne des Sprachforschers rührt’ (invloed van Kant en van behaviourisme) en ten tweede uitgaat van 'n teken-begrip, zonder meer ontleend aan wetenschappen die geen linguistiek zijn.’

 

Over dit tekenbegrip op pagina 9: ‘een tekenbegrip’ ... ‘moet’ ... ‘ontwikkeld worden uit de beschouwde feiten’. Volgens hem beschouwt Bühler maar ten dele de juiste feiten (p.29): ‘Bühler verklaart “Symbol”, “Anzeichen” en “Zeichen” volgens hetgeen wat vervangen wordt, en dat is zeer juist, doch hij plaatst als vervanger de “Schallwellen” en dat is principieel onjuist: niet de klank is “teken”, doch de taal-term, en deze bestaat alleen in de taal-gebruikende mens.’

 

Volgens Reichling treft dus ook Bühler het verwijt dat deze zelf Saussure maakt: ‘stoffdenkerisch’ te zijn. Overigens geeft hij Bühler op pagina 30 weer wat toe: ‘laten we toegeven dat altans de waargenomen klank “als teken” “functioneert” in zover deze teken-wijze “signaleren” of “uitdrukken” is, “functioneert” zij daarom ook “darstellend”? Ervaren wij in de waargenomen klanken “iets anders”, kennen wij in hén de “Gegenstände und Sachverhalte”’? Ook Bühler beweert dit geen ogenblik; wij kennen “Gegenstände und Sachverhalte”, de “zaken” in de gedachte’ ... ‘Door als middelpunt van zijn bestudeerde situaties van taalgebruik de “Schallwellen” te nemen begon Bühler zijn onderzoek buiten de kern van het taalgebeuren. Zijn “Schema der Sprachfunktionen” brengt nu als taal-verschijnselen samen data die taal-wetenschappelik disparaat zijn. “Appell” en “Ausdruck” enerzijds - Bühler ontkent dit niet - en “Darstellung” anderzijds zijn irreductibel. De schemata zoals hij ze telkens geeft, verdoezelen dit feit.’

 

Volgens Reichling weet Bühler, juist door de wijze waarop hij het heeft ontwikkeld, geen raad met het begrip ‘Appell’. In latere hoofdstukken van zijn Sprachtheorie heeft hij (noot p.30) ‘zijn “Appell”-begrip aan een zodanige metamorphose onderworpen, dat het in zijn organon-model der taal (blz. 28) niet meer past. De tegenstelling “Sender-Empfänger” valt weg, of wordt zo “overdrachtelik” toegepast, dat zij wetenschappelik geen zin meer heeft. Door deze wending verloochent Bühler prakties het zeer waardevolle en juiste “Appell”-begrip, dat hij aan zijn organon-model demonstreerde. Hij kan het niet “plaatsen”, omdat hij het ontwikkelde aan “Schallwellen” in plaats van aan het “woord”.

 

Op pagina 32 maakt Reichling vervolgens een tekening van wat volgens hem het organonmodel van Bühler is. Uit Bühlers schema laat hij echter wezenlijke elementen weg!

 

Vergelijk beider afbeeldingen. Uit de eerste blijkt overtuigend, dat Bühler klank en teken geenszins liet samenvallen (de driehoek en de cirkel omvatten op twee manieren niet hetzelfde gebied). Reichling tekent enkel een cirkel en zet daarin het woord ‘klanken’ (Bij Bühler staat niet ‘klanken’ of ‘Schallwellen’, maar de Z van Zeichen in de driehoek, die enerzijds meer, anderzijds minder omvat dan de cirkel die voor het ‘konkrete Schallphänomen’ staat. Bühler onderscheidt heel duidelijk de klank van het teken, Reichling kwam het misschien beter uit dit te negeren: dan kon hij hem immers beschuldigen van heulen met zijn levenslange vijand: het ‘behaviourisme’ (p.32): ‘Bühler heeft zich met zorg er voor gewacht geen psychologismen te bedrijven, hij heeft helaas behaviourismen bedreven. Een schema dat in ‘Schallwellen’ centreert, is noch psychologies, noch sematologies, noch linguisties.’

 

Op pagina 305-6 culmineert de kritiek van Reichling op Bühler in de volgende passage: ‘pas op dit punt van ons onderzoek is het eindelik mogelik, de ontoereikendheid van Bühlers schema, dat hij in de “Schallwellen” laat centreren, volkomen aan te tonen. Het “Organon-Modell der Sprache”, dat wij reeds in zijn vroegere publicaties vinden, en dat in zijn Sprachtheorie (blz. 24 vlg.) opnieuw het uitgangspunt voor de ontwikkeling zijner theorie vormt, blijkt van het betekenis-verschijnsel geen verklaring, geen schematisering zelfs, te geven.’ ... ‘we constateren’ ... ‘dat de “Schallwellen” in hun

“Darstellungs”-aspect helemaal geen teken zijn, omdat alleen een onaanschouwelik ken-moment “darstellen”, symboliseren, kan. Alleen het woord is taal-teken bij uitstek, en het is onmogelik, de verschillende taal-functies in één vlak te projecteren op de wijze waarop Bühler dat doet. Als Bühler de betrekking tot de zaken die in een taal-teken ligt, wil schematiseren in één vlak, dan moet op de plaats van de “Schallwellen”, het woord gezet worden als de eenheid van aanschouwelikheid en onaanschouwelikheid, die we in plaats van de zaken gebruiken.’

 

Een paar opmerkingen

 

In de eerste plaats gaat Reichling wel heel eenzijdig in op maar één van Bühlers axioma’s, het organon-model.

 

Ten tweede: niet de ‘Schallwellen’ staan centraal in dat model van Bühler, maar het teken, dat zich tweevoudig onderscheidt van de klankgolven: slechts een deel van de eigenschappen van die golven beschouwt Bühler als relevant voor de semantische functis, dus de betekenis, van taalgegevens die ‘Dinge und Sachverhälte darstellen’, namelijk: ‘woorden en zinnen’. Bovendien hebben die ‘woorden en zinnen’ bij hem eigenschappen die niet met de fysische klanken overeenkomen: ze zijn afhankelijk van ‘apperzeptive Ergänzung’(hoofdstuk I, paragraaf 2).

 

Bühler kon en wilde niet ‘woord’ in het midden van zijn model zetten, omdat hij niet alleen het woord, maar ook de zin bedoelde.

 

Reichling wandelt door het organon-model te vertekenen luchtig heen over het ‘Prinzip der abstraktiven Relevanz’, dat Bühler (hoofdstuk I, paragraaf 3) ‘diesen sprachtheoretisch grundliegenden Tatbestand’ noemt.

 

En wat Reichlings opmerking betreft, dat ‘alleen een onaanschouwelik ken-moment “darstellen”, symboliseren kan’? Ook volgens Bühler staan bepaalde fysische kenmerken in dienst van de betekenis van woorden. Nergens vindt men bij hem, dat de fysische klanken de woorden zouden zijn. Wat dit betreft vecht Reichling tegen windmolens.

Mijn literaire theorie in de praktijk van het onderwijs aan de universiteit van Leiden (vanaf 1973)

Zie hiervoor de gescande ‘hand-out’ literatuurtheorie