Nawoord bij mijn vertaling van Heinrich von Kleist: Novellen

(Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1978.)

Heinrich von Kleist wordt op 18 oktober 1777 geboren als zoon van een adellijke Pruisische beroepsmilitair (de familie had al achttien generaals en veldmaarschalken opgeleverd, en één vrij bekende dichter) en pleegt op 21 november 1811 zelfmoord. Vierendertig woelige jaren, zowel wat betreft de uiterlijke omstandigheden - de Franse Revolutie en de opkomst van Napoleon bepaalden het lot van Duitsland en zijn bewoners - als wat zijn individuele levensloop betreft - een weerspiegeling van zijn gespleten, en in die gespletenheid naar elk uiterste strevende persoonlijkheid - vormen hem tot groot toneel- en prozaschrijver.

 

Een onheilspellende figuur in de ogen van wie, hoe demonisch zelf ook, naar evenwicht streven (Goethe, Thomas Mann), maar zeker ook laatstgenoemde fascinerend door het tegelijk eruptief-natuurlijke en geniaal-kunstvaardige van zijn scheppingen. Cultuurhistorisch te plaatsen in de overgangsperiode tussen Verlichting en Romantiek: eerst toegewijd aan de Rede, de waarheid, de opvoeding, overtuigt Kants Kritik der Urteilskraft hem in maart 1801 ervan, dat waarheid voor de mens onbereikbaar is en dus elk streven naar kennis, elke poging om je leven te organiseren in overeenstemming met een absolute, buiten jezelf bestaande maatstaf, zinloos. 'Als water van klip naar klip geworpen, jarenlang omlaag het onzekere in': dit Hölderlin-citaat kan dienen om zijn aardse omzwervingen in die laatste tien jaar te karakteriseren. Het énige houvast is nu voor hem het Gevoel, dat we als 'innerlijke zekerheid zelfs tegen beter weten in' ook in zijn verhalen aantreffen.

 

Kleist was een van de vijf kinderen uit het tweede huwelijk van zijn vader. Nadat deze in 1788, en Heinrichs moeder in 1793, was gestorven, werd Heinrich financieel afhankelijk van zijn halfzusters, van wie vooral de jongste, Ulrike, een grote invloed op hem heeft gehad. Zijn eerste onderricht ontving Kleist, samen met een neef, van de jonge theoloog Martini, die zijn twaalfjarige pupil later beschrijft als enerzijds ijverig en hard tegen zichzelf, anderzijds huilerig en weekhartig, nu eens opgewonden, dan weer apathisch, afwisselend vriendelijk en dwars, bij tijden een meeslepend prater die schromelijk kon overdrijven, maar even vaak een naar woorden zoekende stamelaar. (Met het neefje wordt het eerste zelfmoordplan beraamd: de jongen zal het zes jaar later uitvoeren.)

 

Toen zijn moeder stierf, was de vijftienjarige Kleist al korporaal in het garderegiment van de hertog van Braunschweig, en hij wist het soldatenberoep aanvankelijk best te waarderen. In 1797 werd hij tot luitenant bevorderd, tot 1799 hield hij het in dienst uit; die waardering had wel iets te maken met zijn deelnemen aan de (mislukte) campagne in Frankrijk; hij schreef er het eerste van hem bekende natuurgedicht; teruggekeerd in de zoveel minder avontuurlijke routine van de kazerne in Potsdam, valt hij vooral op door zijn klarinet- en fluitspel, zijn belangstelling voor filosofie, wiskunde en literatuur. Met zijn adellijke vrienden maakt hij 'incognito' een Harzreis, waarbij ze als muzikanten in hun onderhoud voorzien. De voornaamsten van die vrienden zijn Rühle von Liliënstern, met wie hij muziek en filosofie beoefent, en Ernst von Pfuel, die zijn interesse in wiskunde, geometrie en oude talen deelt. Vooral tijdens een verliefdheid valt discipline hem zwaar. De kazerne gaat hij als een hel zien, de geliefde als een heilige; hij besluit voortaan te handelen volgens 'zijn eigen' gedachten, dat wil zeggen overeenkomstig de idealen van de Verlichting, en neemt in 1799 ontslag uit het leger. Als student in Frankfurt aan de Oder, waar hij als 'apostel van de Rede' een dameskring onderwijst, ontmoet hij de dochter van de stadscommandant, Wilhelmine von Zenge, met wie hij zich verlooft. Op een hoogst autoritaire manier tracht hij het willige kind te vormen naar zijn ideaalbeeld, maar al gauw loopt hij in deze liefde even vast als in zijn studies, verscheurd als hij zich weet tussen gevoel en verstand. In 1800 ondergaat hij in Würzburg een kleine operatie, die hem geschikt moet maken voor het huwelijk. In geheimzinnige bewoordingen schrijft hij dit aan zijn verloofde, gaat echter vervolgens niet naar haar terug, maar naar Berlijn.

 

Zijn oudere vriend Brockes, overtuigd Rousseau-aanhanger, zet hem op het spoor van het gevoel en de daad. In het voorjaar van 1801 komt er een grote helderheid over hem als hij Kant leest: de mens, ziet hij nu, kan met zijn verstand niet uitmaken of wat hij ziet ook wérkelijk is. Intussen staat Kleist dichter bij zijn felle, mannelijke halfzuster Ulrike dan bij zijn verloofde. Weer maakt hij zelfmoordplannen. Dan gaat hij met Ulrike op reis. Pas drie jaar later zal hij naar Berlijn terugkeren. In Dresden zijn de oude schilders, met name Rafaël, een openbaring voor hem, hij wil kunstenaar worden, en ook de gevoelskant van het katholicisme beoordeelt deze Pruisische protestant plotseling positiever dan voorheen. Zijn (protestantse) halfzuster sleept hem echter gauw mee naar Parijs, een stad die hij verafschuwt. Tegenover haar speelt hij duidelijk de vrouwenrol, zij loopt in mannenkleren door de stad, alleen door een blinde als vrouw herkend: 'een edel, wijs, grootmoedig meisje, een heldenziel in een vrouwenlichaam ... Ze is ... een wezen, dat van een vrouw niets heeft dan de heupen, en nooit heeft ze gevoeld hoe zoet een handdruk is ... wat een misgreep heeft de natuur begaan, toen ze een wezen vormde, dat noch man noch vrouw is en als een amfibie tussen twee soorten aarzelt,' schrijft hij over haar (later staat ze model voor zijn Penthesilea). Hij brengt haar naar Duitsland, maar reist zelf door naar Zwitserland 'om boer te worden'. Het wordt, enkele maanden, een huurhuis op een eiland bij Thun, verzorgd door de vissersdochter Madeli, hard werkend aan een toneelstuk. Nu pas verbreekt hij zijn verloving.

 

In 1803 is hij zo ziek dat Ulrike hem naar Duitsland haalt; hij logeert in Weimar bij Wieland, die hem zeer prijst, maar een incident met een veertienjarig meisje maakt hem het blijven onmogelijk. In Dresden maakt hij nieuwe zelfmoordplannen. Nu met Pfuel, zijn beste vriend, aan wie hij later zal schrijven: 'Ik heb, als je in Thun voor mijn ogen het meer in liep, vaak met waarlijk meisjesachtige gevoelens naar je mooie lichaam gekeken.' Wanhopend aan de voltooibaarheid van zijn toneelstuk, verbrandt hij in oktober 1803 het geschrevene. Weer naar Parijs. Na een ruzie met Pfuel gaat hij, gewezen Pruisisch officier, op weg naar Napoleons leger om onder deze in Engeland de dood op het slagveld te zoeken. Hij wordt net op tijd - men had hem als spion kunnen terechtstellen - door een Duitse arts opgevangen, en verkeert maandenlang in een schemertoestand.

 

Terug in Potsdam - als 'verrader' gewantrouwd, beroept hij zich op geestesziekte - verzoekt hij als burger in Pruisische staatsdienst te mogen treden. Een jaar lang werkt hij als volontair in Königsberg. Hij wordt gekweld door ziektes en depressies, maar schrijft, naar hij nu zegt, 'omdat ik het niet laten kan.' Naast zijn voornaamste drama's ontstaan: een eerste versie van Michael Kohlhaas (dit 'bezweert zijn Pruisische aard'), De Markiezin van O., Het Tweegevecht, De Vondeling.

   Königsberg is het centrum van het verzet tegen Napoleon. Ook Kleist keert zich tegen de Franse bezetter. In januari 1807 wil hij naar Berlijn terug. Door zijn onhandigheid bij een pascontrole ziet men hem voor een spion aan. Hij wordt opgesloten in een onderaardse kerker, drie dagen verhoord, en vervolgens als staatsgevangene overgebracht naar Fort Joux bij Pontalier in de Jura. In mei krijgt hij de status van krijgsgevangene en mag hij naar Châlons-sur-Marne (eind vorige eeuw herdoopt tot Châlons-en-Champagne). Intussen is zijn werk door Adam Muller aan Goethe te lezen gegeven ('een veelbetekenende, maar onverkwikkelijke meteoor aan de hemel van een nieuwe literatuur', schrijft de dichtervorst).

 

In augustus komt Kleist definitief vrij. In Dresden wordt hij door de nieuwe school der Romantische schrijvers onder leiding van Adam Müller gelauwerd. Met laatstgenoemde geeft hij als voortzetting van Schillers 'Horen' het tijdschrift 'Phöbus' uit (dat tegen de bedoeling in alleen werk van hem en Müller zal bevatten). Financier: Ulrike. In het literaire wereldje van die dagen betekent het echter zelfmoord, als 'Dresden' de oorlog verklaart aan 'Weimar' en z'n literaire halfgod Goethe. Reden: Goethe zette één van Kleists spelen zo onbeholpen op de planken dat het een sof werd.

 

Na in twee spelen - het al genoemde Penthesilea en Kätchen von Heilbronn - de tegenpolen van zijn persoonlijkheid, handelen en overgave, in vrouwenrollen te hebben verbeeld, keert hij zich tot de actualiteit met het fel nationalistische Hermannsschlacht. Napoleon fungeert nu als tegenspeler voor zijn binnenwereld: als absolute daadmens, als 'aap der rede'.

De slag bij Wagram (1809) betekent het voorlopig einde van de hoop der Duitse patriotten. Kleist zwerft weer rond en geeft vervolgens (1810) in Berlijn het eerste Duitse dagblad uit, de 'Berliner Abendblatter', dat echter in maart 1811 wegens zijn anti-Fransc commentaren wordt verboden. In 1810 en 1811 verschijnen de verhalen van Kleist gebundeld. Vereenzaamd en verarmd, lijkt de dood hem nu andermaal de enige uitweg. Een laatste reisgenoot vindt hij in de ongeneeslijk zieke Henriette Vogel. In de beste stemming brengen ze, brieven schrijvend, hun sterfdag door. Uit de brief aan zijn zestien jaar oudere aangetrouwde nicht Marie von Kleist: 'En nu vaarwel: moge de hemel je een dood schenken, al is het maar half zo blij en onuitsprekelijk opgewekt als de mijne: dat is de hartelijkste en innigste wens, die ik voor je kan bedenken. Je Heinrich. Stimmings bij Potsdam, op de morgen van mijn dood.'

 

Met bekwame hand doodt Heinrich Henriette: 'zonder de ribben te raken', schrijft de lijkschouwer later, schiet hij haar door het hart; vervolgens zichzelf in de mond. Op het Pfaueninsel in de Wannsee liggen ze begraven.

 

Wat de verhalen betreft: Thomas Mann heeft gewezen op de centrale rol in Kleists werk van bewusteloosheid, door hem gezien als het putten van nieuwe kracht, in een tijdelijke inkeer tot het onbewuste, uit de bronnen van het leven. Zo'n inkeer, na 'verpletterende' gebeurtenissen, komt in de novellen herhaaldelijk voor. De parallel met Kleists eigen levensgeschiedenis, met zijn diepe inzinkingen als 'aanloop' tot creatieve explosies, dringt zich op. De verborgen krachten in zijn binnenste moeten aangeboord worden, maar breken pas baan als elke redelijke hoop is vervlogen. Tegelijk leidt het ontdekken en volgen van hun innerlijke persoonlijkheid meestal tot de ondergang van zijn figuren. Kohlhaas volgt zijn geweten, zijn gevoel voor wat recht en onrecht is, tot het schavot. Zijn rigoureus moreel handelen is een levende aanklacht tegen de rechteloosheid-onder-dekmantel-der-wet, die de werkelijke wereld regeert. Als een aartsengel (Hans, niet Michael, was de naam van de historische figuur die de stof voor het verhaal heeft geleverd) legt hij in schril contrast het kwaad bloot. Is het verwonderlijk dat Michael Kohlhaas Kafka's lievelingsverhaal was? De Aardbeving in Chili is echt Rousseau: een pleidooi voor de natuur, voor de van nature goede mens, die door de maatschappij wordt vernietigd net als hij (door een natuurramp!) het geluk gevonden meent te hebben. Ook de markiezin van O. wordt pas zichzelf als haar vader, de ondanks zijn autoritaire verblinding later ontwapenende driftkikker, de tegennatuurlijke wreedheid wil begaan haar van haar kinderen te scheiden. Tot dan toe onderdanig, trekt zij zich nu met eigen hand uit het moeras en maakt zich vrij van alle conventies. Knap is in dit verhaal de tot het uiterste beperkte weergave van een verkrachting: een 'liggend streepje' is het enige signaal, en daar leest men licht overheen. Toch vindt een contemporain vrouwenblad, 'dat geen dame deze novelle zonder blozen kan lezen'.

 

De dominantie van het gevoel bij Kleist is niet zonder meer gelijk te stellen met irrationalisme: het gevoel is bij hem niet alleen anti-rede, maar ook orgaan van zedelijkheid, van kennis van goed en kwaad. In een onmenselijke wereld richt het zich op een voorgestelde, menselijker wereld. Als zo'n wereld (tijdelijk) mogelijk blijkt, is het gevoel reëel, in overeenstemming met de werkelijkheid. Is de wereld echter, zoals meestal, niet in overeenstemming te brengen met de menselijkheid, dan slaat het gevoel blind door, naar vernietiging, zoals in Kohlhaas, naar wraak tot in het diepste der hel, zoals in De Vondeling.