Nawoord bij mijn vertaling van de roman

 Therese - Kroniek van een vrouwenleven

 van Arthur Schnitzler


(Uitgeverij Het Spectrum, Amsterdam/Antwerpen 1983)



Therese (1928), de laatste roman van de Weense arts-auteur Arthur

Schnitzler (1865-1931) heeft de vorm van een kralenketting, uit

honderd-zes korte hoofdstukken aaneengeregen. Met deze compositie

lijkt de schrijver te hebben beoogd, dat de lezer op het eentonige

 relaas van de 'ervaringen' van de hoofdfiguur in eerste instantie

gevoelsmatig - en wel enigszins verveeld! - zou reageren. De on-

verkwikkelijke leegte van Therese’s leven wordt hem/haar als door

een druppelende kraan ingeprent.


Toch zou ik het jammer vinden, als identificatie met dit aspect

van het leven van de 'heldin', met het uitzichtloze van haar bestaan,

het enige resultaat zou blijven van het lezen van Schnitzlers zwanen-

zang. In de eerste plaats gaat onder het monotone oppervlak wel

degelijk een constructie schuil. En in de tweede plaats kunnen we

ons afvragen, waarom deze vrouwenfiguur hier juist zó is opgeroepen.


Wat de onderliggende constructie betreft, er zijn in de tekst ge-

noeg gegevens aan te wijzen, die als verklaring kunnen dienen voor

Therese’s eenzaamheid, voor haar contactarmoede, voor haar troos-

teloze levensloop. En die indicaties hebben gemeen, dat ze de

schuldvraag - wezenlijk voor een lezersoordeel over de daden van

de protagoniste, haar zoon en alle andere figuren binnen de fictie -

compliceren. Om deze complexiteit is het Schnitzler denk ik te

doen.


Als individu lijkt Therese ingeklemd tussen enerzijds haar 'na-

tuur', dat wat haar van binnenuit drijft, en anderzijds de sociale

structuur van de samenleving waarin ze leeft en sterft. Toch blijkt er

bij nader toezien een verbinding te bestaan tussen die twee. Ver-

borgen schakel tussen haar innerlijk, haar individualiteit, en de

maatschappelijke toestand waarmee ze, eenmaal op eigen benen,

wordt geconfronteerd, is haar voorbije jeugd, zijn haar ouders, is

het gezin waaruit zij voortkomt. Dit gezin, deze ouders met name,

hebben haar gevormd vóór haar vierde jaar, op een leeftijd waarop

van bewust tegenspel nog geen sprake kon zijn. Haar psyche was

op die voorbewuste leeftijd als het ware de gecombineerde psyche

van haar ouders. Uitgangspunt voor haar individuele ontwikkeling

daarmee: de wijze waarop die ouders met de buitenwereld al dan

niet tot een 'modus vivendi' waren gekomen.


Deze startpositie zou Therese zich bewust moeten maken om

zich er van los te kunnen maken, om 'zichzelf’ te kunnen worden,

en dat is precies wat er niet gebeurt. Ze blijft in de startpositie steken:

haar leven is geen proces dat tot iets nieuws leidt, wordt niet gekenmerkt

door verandering maar door stilstand, niet door vooruitgang

maar door herhaling.


Hoe worden haar ouders, hoe wordt haar relatie met hen geschil-

derd?


Haar vader, beroepsmilitair, laat zich voortijdig pensioneren. Op

nóg een manier wijkt hij van het 'normale' af: hij verhuist, als hij de

dienst en ook Wenen verlaat, niet, 'zoals de meesten van zijn be-

roeps- en lotgenoten', naar Graz, maar naar Salzburg. Daar wil hij

de droom verwezenlijken, die hij sinds zijn jeugd heeft gekoesterd:

aan de grote stad ontvlucht, naar hartelust van de natuur genieten.

Dat blijkt een illusie. Nu probeert hij, vergeefs, zich alsnog waar te

maken als militair auteur. Nadat ook dit is mislukt, is hij geheel ge-

desoriënteerd, bezoekt prostituees - overigens een oude gewoonte

- en slaat in het openbaar gezagsondermijnende taal uit. Zijn onbe-

vredigde eerzucht, niet langer 'ingedijkt' door het uniform, treedt

buiten de oevers. Grootheidswaanzinnig, definitief van de realiteit

vervreemd, wordt hij ingesloten.


Prostitutie, het te gelde maken van het menselijke, kenmerkt het

leven van Therese’s moeder. Zelfs haar dochter probeert ze te ver-

kopen; de productie van lectuur waarmee ze later de kost verdient,

ligt in het verlengde hiervan - ze schrijft zich leeg, misbruikt zelfs de

liefdesbrieven van Alfred. Een echte relatie met de maatschappij

heeft ook zij niet, evenmin als inzicht in haar eigen betekenis: nog

na haar dood zadelt ze de gemeenschap op met haar 'literaire' nala-

tenschap.


Een leegte in uniform en een veile leegte: dat zijn Therese’s voor-

beelden; een combinatie van die elementen vormt, geïnterioriseerd,

de uitgangssituatie waarin ze, zoals gezegd, zal blijven steken, die

ze zal blijven her-leven. Als in het bestaan van haar vader contras-

teert ook in het hare de droom met de werkelijkheid, en die tegen-

stelling wordt lokaal gesymboliseerd door de natuur, het buitenle-

ven, steeds weer als bron van levenskracht te laten contrasteren

met het bestaan in de stad, waar dat leven uit haar wordt weggezo-

gen in ruil voor een armzalige boterham. In wezen bevindt zich die

tegenstelling niet buiten, maar ín haar. Net als haar vader leeft ook

zij lang in de illusie dat een menselijk, natuurlijk, echt leven toch

mogelijk moet zijn. Net als dat van haar moeder is ook haar be-

staan gebaseerd op geleidelijke uitverkoop van haar menselijkheid:

als haar dat beter uitkomt, liegt ze zowel haar vader als haar zoon

dood. Dat gaat tot zelfbedrog toe; voor haar gevoel staat ze los van

haar omgeving. Zo is ze het met Kasimir eens, dat ze

niemand dan zichzelf verantwoording voor haar gedrag verschul-

digd is. Haar leven intussen bestaat goeddeels uit maatschappelijke

afhankelijkheid, tot slavernij toe; haar brood verdient ze met ge-

hoorzaamheid, met conformisme, met het onderdrukken dan wel

inruilen van haar natuur. Zich verkopen is haar gewone situatie.

Daarom is het voor haar maar een kleine stap om, als de nood hoog

is, op het idee te komen haar jeugd en aantrekkelijkheid in een wat

grotere welstand om te zetten. Door de opdringerigheid van bazen

en slagersknechts is ze dan trouwens al zo ver, dat prostitutie haar

als de zuiverste vorm van liefde voorkomt!


Toch is Therese ook weer helemaal niet zakelijk in de liefde. Tel-

kens geeft ze zich weer aan de 'verkeerde'; profijtelijk is tenslotte

vrijwel geen van haar verhoudingen (die met Wohlschein vormt de

grote uitzondering; volgens mij heeft Schnitzler met dit bijna-succes

zo in zijn maag gezeten, dat hij de dood als deus-ex-machina heeft

gebruikt om het 'geluk' schielijk weer ongedaan te maken: de enige

zwakke plek in de roman). Waarom schiet haar moederlijk erfdeel,

het zakeninstinct, als het erop aankomt zo deerlijk te kort? De

auteur duidt voorzichtig aan dat de oorzaak in haar vaderbinding

ligt): als zij voor Kasimir Tobisch bezwijkt, ruikt zijn snor

naar de resedapommade, die ze zich herinnert van de kapperszaak

waar ze als kind haar vader eens afhaalde.


Net bij Kasimir loopt Therese in de val van het ongehuwd moe-

derschap. Al gauw, in een vlaag van helderheid, realiseert ze zich

dat ze met Kasimir geen enkele band heeft. Waarom,

vraagt ze zich trouwens al een hoofdstuk eerder af, sta ik eigenlijk

op zo'n armoedzaaier te wachten, terwijl ik de kerels voor het uit-

zoeken heb? De 'werkelijke' vader van haar kind is later voor haar

niet deze Kasimir, maar Alfred, tegenover welke vriend van haar

broer ze aanvankelijk een bijna incest-schuwe afstand in acht

neemt. En Alfred wordt als minnaar opgevolgd door Max, militair

als haar vader: zolang de verhouding met hem duurt, vergeet ze haar

vader in de inrichting te bezoeken, en ook aan Max heeft ze later

geen herinnering.

 

terkste voorbeeld - een 'Freudiaans' grapje van Schnitzler? -: als

ze naar Wenen wil om de vader van haar ongeboren kind te zoe-

ken, wendt ze tegenover haar werkgever voor, dat ze 'dringend

haar broer moet spreken in verband met haar vaders erfenis'.

Overigens wordt in de loop van het verhaal wel duidelijk dat

haar broer - een walgelijke antisemiet, maar dit terzijde - na haar

vaders dood diens rol van 'geweten' heeft overgenomen: zwanger als ze is,

is ze vooral voor een ontmoeting met hém beducht, en zelfs tijdens

de bevalling schaamt ze zich voor hem.


Zodra Therese in verwachting is, zijn de erotische avonturen die

tot haar toestand hebben geleid vergeten. Heel het verleden is voor

haar trouwens zo onwezenlijk, dat ook het resultaat van dat verle-

den, haar zwangerschap, haar vreemd blijft. Het kind in haar

schoot kan niet 'nieuw, levend, werkelijk' zijn. Het moet dood,

moet worden geaborteerd, en dat zal ook voor haar tegelijk straf

en bevrijding zijn: het kind had niet verwekt mogen worden (uit de

'incestketen': vader-broer-Alfred-Max-Kasimir), daarom mag het

niet leven, en wat haarzelf betreft: voor haar 'incest' en de 'moord'

op het ongeboren leven zal zij boeten met de dood: zij is er zeker

van dat de abortus ook haar dood zal zijn.


Dezelfde situatie herhaalt zich als haar zoon is geboren. Weer

'vermoordt' zij hem, en ook nu weer niet echt. Tenslotte zal het al

tweemaal in de geest omgebrachte kind zijn moeders beul worden; het

opbiechten van haar 'fictieve' moorden - tegenover Alfred! -

maakt het haar mogelijk, verzoend te sterven.


Heel zijn leven is haar zoon voor haar een dode, een vermoorde.

Een voorbeeld: als ze het kind naar zijn pleegouders heeft gebracht,

is het haar te moede of ze van een begrafenis terugkomt.

Als gevolg van haar steken-blijven in de voorbewuste fase is zij nu

beland in een, alle andere mannen in wezen buitensluitende, moe-

der-zoon-relatie, waarin zij bovendien de gemankeerde moordenares is

van haar zoon.


Vanaf de geboorte van Frans is diens moeders leven eigenlijk af-

gelopen. Verveling, eenzaamheid, tijdloosheid kenmerken de jaren

die resten. Seizoensgewijs vervloeien die jaren met elkaar; plaatsen

waar ze achtereenvolgens op vakantie is geweest, vallen in haar

herinnering samen, evenals de mannen die toenadering tot haar

hebben gezocht. In haar bewustzijn komt de tijd daarmee stil te

staan en wordt hij tegelijk steeds leger. Hoewel dit effect door de

bevalling (het nieuwe diepe trauma onder de bodem van haar be-

wustzijn) is versterkt, was het ook daarvóór in essentie al niet an-

ders: alle mannen vertegenwoordigden ook toen al eigenlijk één

man, de vaderfiguur in zijn verschillende facetten. Therese leeft in

een 'eeuwige' ruimte, te midden van onderling nauwelijks verschil-

lende personen, in verwisselbare situaties en verhoudingen. In

hoofdstuk 54 wordt die toestand (ze is dan pas 27 jaar, maar eigenlijk

aan het einde) kort samengevat.


Haar relaties met een geliefd kind als Robert en een geliefde

leerlinge als Thilda hebben de irreële kleur van idolatrie. Ze lijken

daarin op haar verhouding tot God: ze zijn eenzijdig, blijven in we-

zen onbeantwoord en symboliseren slechts haar afhankelijkheid.

Ontvoering van Robert, om althans dit vereerde 'kind van een ander'

zelf te 'bezitten', overweegt ze in hoofdstuk 55; als alternatief bedenkt

ze: Robert te doden en vervolgens zelfmoord te plegen.


Wat heeft Schnitzler met zijn Therese willen zeggen? Wat is de

grondidee van dit werk? Waarvan probeert de auteur zijn lezers

hier te overtuigen? Vooral, lijkt me, van de aard van de factoren

die het menselijk handelen bepalen. Hoezeer die ook psychisch en

individueel schijnen, in werkelijkheid zijn het, in de opvoeding

geïnterioriseerde, maatschappelijke normen, historisch bepaald,

zijn het de burgerlijke normen, dienstig om exploitatieverhoudin-

gen tussen mensen te continueren.


Alleen bewustzijn kan mensen in staat stellen het ingeplante nor-

menstelsel te overwinnen en een lot als dat van Therese te vermij-

den. Therese kan als 'negatieve heldin' de lezers op andere moge-

lijkheden attenderen. Zo zou ook van een zo 'zwarte' visie een

emanciperende werking kunnen uitgaan.