Mijn toespraak bij de crematie van mijn vriend in Utrecht

 

Vincent en ik ontmoetten elkaar voor het eerst in februari 1946. Ik was zojuist van Amersfoort naar Helmond verhuisd. We woonden nu allebei naast de middelbare school waar mijn vader Nederlands en zijn oudste broer wiskunde gaf. Hij op de ene hoek, ik op de andere. Op een dag werd er bij ons aangebeld door een jongen van elf, San van der Linden. ‘Ik heb gehoord dat hier een jongetje is komen wonen,’ zei hij. Mag die met mij komen spelen? Zo begon onze vriendschap. Ik was tien jaar, klein, en nog mager van de hongerwinter.

 

We zaten op de lagere school en bevonden ons in het stadium van geheime clubs en geheime plekken. We sneden een stempel uit een aardappel om het lidmaatschap van onze club - die enkel uit ons beiden bestond - te bekrachtigen. Vóór het huis van Vincent stond heel toepasselijk een lindenboom, waar iets af viel dat we als tabak beschouwden. Algauw zaten we op zijn zolderkamer, met onze benen in de dakgoot, in papier gerolde ‘lindenshag’ te roken. Ook maakten we muziek, ik op blok-, hij op dwarsfluit.

 

Maar zijn belangstelling ging ook naar andere dingen uit. Voetballen bijvoorbeeld. Dat leidde bijna tot een breuk in de ontluikende vriendschap. Ik ontving een brief waaruit ik wil citeren:

 

Beste Wim,

Weet je nog wat ik je in juli gezegd heb? Dat geldt nu weer opnieuw: wij horen niet bij elkaar! Jij bent geen vriend voor mij, slechts een opdringerige kennis.

 

Als je de volgende eigenschappen bezit, zul je mijn vriend zijn.

a. Niet bang zijn voor harde ballen en je er niet voor omdraaien;

b. Je moet leren leiden, raakschieten van verre afstand in benauwde positie, zodat niet ík altijd win, want het is niet leuk met iemand te voetballen die altijd verliest.

Indien je er prijs op stelt om mijn vriend te zijn, dan kun je voor mij na school de ‘proef’ afleggen. Deze bestaat uit: van de vier partijen tegen mij gespeeld moet je er minstens één winnen dan wel leiden.

 

Ik zal dan ook een proef nemen in het bang of niet bang zijn van de bal. Het is geen gloeiend ijzer!

 

Achterover schieten is natuurlijk heel simpel.

 

Als je nog iets te vragen hebt, kun je het iedere avond na school komen doen of anders schriftelijk.

Je exvriend en

toekomstige vriend?

San van der Linden.

Met hartelijke groeten.

 

Ik heb nooit leren voetballen, ben nog altijd bang voor de bal, maar onze vriendschap hield stand. Vincent heeft zich heel zijn leven voor dat briefje geschaamd. Maar in tegenstelling tot hem verbrand ik geen brieven. En hoe erg was het nu helemaal!

 

Hoe was hij in 1952, het jaar waarin eindexamen deden? In een dagboekaantekening van mijn zeventiende vond ik de volgende beschrijving:

 

‘Zijn gezicht is betogend, zwarte krullen omlijsten het. Hij is in houding niet recht genoeg, maar zijn figuur is wel romantisch. Algauw merkt men de strijd die hij uiterlijk voert tegen zijn eigen romantische aard. Zijn genoegens spreken echter van dit soort karakter. Behalve van meisjes houdt hij van fluitspelen, en soms vindt hij ook muziek die anderen maken mooi, hoewel zijn muzikale voorliefde nogal eenzijdig is. In zoverre stemt hij met de werkelijkheid overeen, als hij Bach de grootste componist vindt.’

 

Vincent was een nakomertje, verwend door zijn zussen. Hij lustte in die tijd alleen erwtjes en appelmoes. Later is dat wel anders geworden. Alleen van kaas hield hij levenslang een afkeer.

 

Hij ging rechten studeren in Nijmegen, ik Nederlands. Na twee jaar brak hij zijn studie af en moest hij in militaire dienst. Maar het grootste deel van die diensttijd bracht hij door in het militair neurosehospitaal Austerlitz, in de bossen bij Zeist. Dat zal in 1954 en 1955 geweest zijn. Ikzelf belandde er een jaar later, in 1956, dus ik ken de pseudo-psychiatrische, nauwelijks soldateske sfeer daar. Vincent werd met S5 (de hoogste aanduiding van militaire onstabiliteit) uit de dienst ontslagen, wat mij niet lukte.

 

Al is ons contact nooit geheel verbroken, we gingen wel andere wegen. Hij studeerde voor typograaf, maar ook voor kunstschilder. We trouwden allebei en kregen kinderen.

 

Begin jaren zeventig, beiden gescheiden, verhuisden we naar Utrecht. Dat werd een tijd van intensieve omgang, van avondvullende, oeverloze gesprekken, waarvan je later niet wist waarover ze waren gegaan (mede door overmatig drankgebruik).

 

In die tijd viel ook onze enige gezamenlijke vakantie. We reden via Parijs en Burgos naar Madrid en Toledo, en via Valencia terug naar huis. Het was geen succes. Ik had genoeg aan het Louvre en het Prado, hij viel op de natuur, die mij gestolen kon worden. En ik reed! We botsten, ik was te dwingend. Maar de verwijdering was, net als later bij politieke meningsverschillen, gelukkig steeds weer tijdelijk.

 

Nu was Vincent redacteur bij Bruna. Daar werd hij de spin in het web van de Nederlandse science-fiction, als uitgever van de Bruna-SF-reeks en de Ganymedes-jaarboeken. Tegelijk schreef en publiceerde hij zelf fantasy, veelal onder zijn pseudoniem Thomas Wintner, wat hem in 1979 de Vlaamse Reinaertprijs opleverde voor zijn roman ‘De weg naar Middelsing’. Dit veelbelovende begin liep helaas geleidelijk dood. ‘Elke uitgeverij die iets van me uitgeeft gaat failliet’, klaagde hij ooit. Maar hij kon het vertellen op papier niet laten. In het prachtige gefilmde vraaggesprek van een uur, dat Jeroen Kuypers in mei 2011 met hem had, zien we Vincent als auteur, en als mens, op zijn best. In de Rare Boekjes-reeks werd het verhaal ‘De Barbecue’ herdrukt. En de afgelopen maanden schreef Vincent weer: vijftig pagina’s zitten ergens in zijn computer.

 

Computers gebruikte hij niet alleen voor zijn verhalen en talloze vertalingen, maar ook voor beleggen (waar hij een grote vaardigheid in had ontwikkeld) en voor het schrijven van programma’s in machinetaal - van Basic tot C. Eén daarvan was een automatisch gespreksprogramma, waarbij de computer op iedere ingevoerde vraag een passend antwoord moest geven.

 

Verhalend proza (ik noem maar Kafka) had zijn grote belangstelling; de afgelopen jaren las hij ook veel over hersenonderzoek, én de klassieke historici.

 

Van moderne poëzie begreep hij niet veel; wel ontwierp hij, en heel fraai, de eerste van mijn twee dichtbundels. Zíjn poëtische werkzaamheid beperkte zich tot de limerick.* Zelfs de netste van zijn ‘vieze versjes’, zoals hij ze noemde, zijn helaas niet in het openbaar te citeren. Hij heeft me er een keer honderd toegestuurd. In elke kwam, volgens de regels die hij strikt in acht nam, een plaatsnaam voor, van Tsjaad en Guadeloupe tot Ulvenhout en Lutjebroek.

 

Sinds hij ‘met Nely was,’ hebben mijn vrouw Rina en ik met haar en Vincent een aantal gezellige eetavonden doorgebracht. Vincent, vergezeld van Nely, was in 2000 getuige bij ons huwelijk.

 

Op woensdag 15 augustus heb ik Vincent voor het laatst bezocht. Hij was vooral moe, maar helder als altijd. De dag erna hoorde hij dat er in zijn toestand geen verbetering te verwachten viel. Toen is het snel gegaan.

 

We missen hem. Maar het is goed dat hij vrede had met deze afloop, en tevreden was over zijn leven.

 

*Later kwam ik erachter, dat Vincent ooit een mooi gedicht voor mij heeft geschreven - dat hij mij helaas nooit heeft laten lezen.